Abba – Vader

In dit hoofdstuk wil ik je kennis laten maken met een ander Bijbelgedeelte dat een grote impact heeft gehad op de intimiteit van mijn omgang met God. Je zou het weer zo’n resonantiemechanisme kunnen noemen, de beeldspraak, die ik eerder heb gebruikt. We gaan weer een prachtig gedeelte van Paulus lezen, waarin hij opnieuw over onze adoptie door de Vader schrijft. Weet je nog: de Romeinen adopteerden altijd met als doel het verkrijgen van een erfgenaam om hun erfdeel mee te delen en op termijn met vertrouwen aan over te dragen.

We gaan lezen in de Galaten brief. Zoals overal stonden de veelal niet-Joodse Christenen in de streek van Galatië onder druk van fanatieke Joden, die wilden dat ze zich aan de hele wet van Mozes zouden houden. In hoofdstuk 3 legt Paulus uit wat de rol van die wet van Mozes was binnen de historische context van Gods heilsplan. Hij vergelijkt het met het werk van een pedagoog, zo’n speciale slaaf, die belast was met de opvoeding van rijke kinderen. Vervolgens legt hij de nadruk op de volledige gelijkheid van Jood en heiden. En dan volgt een stuk in hoofdstuk 4 dat een beetje lastig te volgen is omdat het niet meer duidelijk is of hij nou specifiek Joodse of juist niet-Joodse Christenen op het oog heeft. Of misschien wel allebei? Het is hier niet de plaats om op de details van die discussie in te gaan. Laten we het er maar op houden, dat hij het heeft over de mens in het algemeen als hij tot geloof komt:

Ik bedoel dit: zolang een erfgenaam onmondig is, verschilt hij in niets van een slaaf, ook al is hij reeds de eigenaar van de hele erfenis. 2 Hij staat onder voogdij en toezicht tot het door zijn vader vastgestelde tijdstip is gekomen. 3 Op dezelfde manier waren ook wij, toen we nog onmondig waren, onderworpen aan de machten van de wereld. 4 Maar toen de tijd gekomen was zond God zijn Zoon, geboren uit een vrouw en onderworpen aan de wet, 5 maar gezonden om ons vrij te kopen van de wet opdat wij zijn kinderen zouden worden. 6 En omdat u zijn kinderen bent, heeft God ons de Geest van zijn Zoon gegeven, die ‘Abba, Vader’ roept. 7 U bent nu geen slaven meer, u bent kinderen van God en als zijn kinderen bent u erfgenamen, door de wil van God.

Galaten 4:1-7

Als eerste opmerking: is het je opgevallen hoe Paulus in dit gedeelte (net als overal in zijn brieven) met kortweg ‘God’ overduidelijk ‘God de Vader’ bedoelt? Zie hiervoor het vorige hoofdstuk.

Allereerst leren we interessante details over de opvoeding van rijke zonen in een huishouden en bedrijf gerund door slaven. Zo’n rijke zoon was formeel erfgenaam van het hele bedrijf, maar daar merkte hij niets van zolang hij minderjarig was. In die tijd was dat tot een jaar of twaalf, dertien. Geen wettelijk bepaalde leeftijd, maar elke vader besliste daar zelf over in zijn testament. Voor die tijd moest de zoon stomweg zijn opvoeder gehoorzamen, net zoals elke slaaf in het huishouden. Zijn eigen wil had niets in de melk te brokkelen. Gewoon doen wat er gezegd werd, punt. Goed om in ons achterhoofd te houden, maar dan maakt Paulus een moeilijk te volgen gedachtesprong. Vanaf vers 5 gaat het plotseling niet meer over de normale gang van zaken met een biologische zoon en erfgenaam, maar dan lezen we plotseling over die vaak typisch Grieks/Romeinse noodmaatregel om aan een ontbrekende erfgenaam te komen. Eerst wordt een slaaf vrijgekocht: Christus werd gezonden om ons vrij te kopen van de wet, vers 5. En vervolgens wordt die vrijgekochte slaaf geadopteerd als zoon, met alle rechten van een biologische zoon, inclusief de rechten op het erfdeel. Helaas heeft de NBV in vers 5 een behoorlijk slappe weergave van wat er in het Grieks staat. De NBG is iets duidelijker, maar ook niet echt geweldig:

…opdat wij het recht van zonen zouden verkrijgen

Galaten 4:5 (NBG)

Letterlijk in het Grieks staat er kort en krachtig: ‘zodat wij de adoptie zouden ontvangen’. Heel vers 5 stelt dus dat we net als een slaaf zijn vrijgekocht (van de wet) met als doel om geadopteerd te worden tot zoon en erfgenaam.

Ik sla even vers 6 over.

U bent nu geen slaven meer, u bent kinderen van God en als zijn kinderen bent u erfgenamen, door de wil van God

Galaten 4:7

Ik probeerde in een eerder hoofdstuk uit te leggen wat voor een gigantische emotionele lading er in het begrip ‘erfgenaam’ opgesloten zit. En in dat verband is het belangrijk om te beseffen, dat Paulus hier het beeld oproept van een vrijgekochte slaaf, die daarna wordt geadopteerd op volwassen leeftijd (ouder dan twaalf, dertien jaar dus). Dat laatste kun je afleiden uit het voorafgaande hoofdstuk en het eerste vers van hoofdstuk 4: zelfs al was je van geboorte erfgenaam, zolang je onvolwassen was merkte je daar niets van, je moest stomweg gehoorzamen aan je opvoeder. Maar toen werd de wet vervangen door het geloof, in de beeldspraak: toen werd die zoon volwassen en veranderde alles. En nu vanaf 4:5 gaat het dus niet meer over een geboren erfgenaam, maar over een geadopteerde erfgenaam, maar wel in diezelfde fase van volwassenheid. Dat is de hele redenering die ook na ons stukje volgt: ga je als volwassen zoon en erfgenaam niet opnieuw gedragen als slaaf of minderjarige erfgenaam door slaafs weer de wet te gaan gehoorzamen.

En nu komt het mooiste voor ons onderwerp van intimiteit met God:

En omdat u zijn kinderen bent, heeft God ons de Geest van zijn Zoon gegeven, die ‘Abba, Vader’ roept.

Galaten 4:6

Ik wil het dichter bij het Griekse origineel hebben en gebruik de NBG:

En, dat gij zonen zijt – God heeft de Geest zijns Zoons uitgezonden in onze harten, die roept: Abba, Vader.

Galaten 4:6 (NBG)

Proef je het grote verschil in emotionele lading van de NBG (en het oorspronkelijke Grieks) ten opzichte van de NBV? God heeft zijn Geest niet zomaar gegeven (NBV), nee Hij heeft zijn Geest uitgezonden in ons hart. ‘Uitzenden’ veronderstelt een missie. Wat is de speciale missie van de Geest in ons hart? Iets heel bijzonders! We zijn eraan gewend, dat de Geest van Godswege tot ons hart spreekt. Hij geeft ons Gods Woord, Hij is de Geest van profetie, Hij spreekt in feite als Hij ons helpt het Woord te begrijpen. Hij is de Trooster – Raadgever. Allemaal functies, waarbij de Geest tot ons spreekt. Maar hier in Galaten 4:6? God stuurt zijn Geest met een missie tot in ons hart om vanuit ons hart tot God de Vader te spreken! Zie je hoe speciaal dat is? De Geest, die als het ware in mijn plaats tot de Vader gaat spreken. En wat zegt de Geest dan vanuit mijn hart en min of meer in mijn plaats tot de Vader? ‘Abba, Abba, Abba, Abba…’ En zoals je ongetwijfeld weet betekent dat: Vader, maar dan eigenlijk eerder ‘Papa’. De intieme naam waarmee een kind zijn of haar eigen vader aanspreekt. Nu is er vorige eeuw, goed bedoeld, een misverstand de wereld in geholpen door te beweren dat we bij ‘Abba’ vooral moeten denken aan het koosnaampje waarmee een heel jong kind zijn of haar vader aanspreekt. Dat verhaal klopt gewoon niet. Het Aramese woord ‘Abba’ is over de volle breedte goed te vergelijken met ons woord ‘Papa’. Het werd gebruikt door kinderen van alle leeftijden, al dan niet volwassen! Het gaat om de intimiteit van het woord en de privésfeer, niet om de leeftijd. Enkel in heel formalistische gezinnen, waarin weinig intimiteit aanwezig is tussen vader en kinderen, zal een kind van wat voor leeftijd dan ook zijn vader aanspreken met Vader in de privésfeer.

Als gevolg van dat goed bedoelde misverstand uit de vorige eeuw, wordt er nu steevast bij de uitleg van Abba – vader, een beeld geschetst van een peuter die genoeglijk bij zijn papa op schoot klimt om gezellig te knuffelen. Dat specifieke beeld klopt niet bij de enige gelegenheid, waarvan in de Evangeliën expliciet gezegd wordt, dat Jezus de Vader aansprak met Abba: Jezus is dan in doodsangst in gebed in de tuin Getsemane, vlak voor zijn lijden en sterven. Jezus was daar niet aan het knuffelen met zijn Abba, maar als volwassen Zoon schreeuwde Hij zijn angst uit naar zijn geliefde Abba in de hemel. Heel intiem, heel persoonlijk, heel privé, maar zeker niet ‘knuffelend bij Papa op schoot’.

En dan dit gedeelte in Galaten 4. Ook hier is het juist een beeld van een volwassen zoon en nadrukkelijk geen peuter. Minstens twaalf, dertien jaar oud zoals we net zagen. Het bijzondere waar het hier om gaat is dat dit het beeld is van een ‘vers’ geadopteerde zoon. Een jonge man die tot voor kort ook nog eens als slaaf door het leven ging. Nog maar kortgeleden vrijgekocht, met als doel om geadopteerd te worden. Zoals ik al benadrukte betekende Grieks/Romeinse adoptie, dat die jongeman volwaardig zoon werd met alles erop en eraan, inclusief het recht op het erfdeel, maar dus ook het recht op die speciale intimiteit, die een biologische zoon met zijn vader heeft. Inclusief dus het in privé aanspreken van die nieuwverworven vader met dat super intieme ‘abba’. Elk beeld gaat onvermijdelijk een beetje mank, zo ook hier, want een Grieks/Romeinse zoon gebruikte niet het Aramees, maar goed, het idee is duidelijk.

Kun je je inleven in de emoties van zo’n jonge volwassen slaaf die net is vrijgekocht en geadopteerd, misschien wel binnen een superrijke familie? Alles is nieuw en onwennig. Er is heel je leven op je neergekeken, want je was slaaf. En nu mag (moet?) je plotseling die rijke man, die net jouw vader is geworden, heel intiem gaan aanspreken met ‘Papa’… Voel je de onwennigheid? Kun je je voorstellen hoe een vader en moeder met inlevingsvermogen begrip hadden voor die onwennigheid? Voor hen net zo onwennig trouwens! Kun je je voorstellen dat ze hielpen door de kersverse erfgenaam aan te moedigen het gewoon maar te doen, totdat hij er emotioneel ook aan gewend zou zijn? ‘Zeg maar gewoon, doe maar, probeer maar, het mag echt: abba, abba’.

En het bijzondere is dat we als mens in het algemeen onze gevoelens beïnvloeden door de woorden die we uitspreken, zeker als we dat bij herhaling doen. Dus zodra die kersverse erfgenaam het gewoon maar ging doen en zijn nieuwe vader ging aanspreken met abba, hielp dat om emotioneel ook meer en meer vanuit het hart deze rijke onbekende man te gaan ervaren als zijn vader. Totdat hij op een dag niet beter wist en de relatie met zijn nieuwe vader ook emotioneel als volwaardige papa – zoon relatie ging beleven.

Dat is in feite het beeld dat Paulus hier beschrijft. En het onbeschrijflijk mooie van dit gedeelte is dus, dat de Heilige Geest ons als geadopteerde ex-slaven wil helpen om onze relatie met de Hemelse Vader ook echt en intiem te gaan beleven als een Papa-zoon-relatie (of Papa-dochter-relatie). De Geest begrijpt hoe onwennig dat in het begin aanvoelt. Daarom begint Hij het gewoon voor te doen vanuit ons hart. Daarom roept Hij aanvankelijk in onze plaats Abba, Abba, Abba naar de hemel. En dan is de grote vraag: wat doen wij? Gaan we het de Geest nazeggen, zoals zijn bedoeling is? Of laten we de Geest maar lekker wat roepen en doen we zelf niets? Misschien door onwennigheid, misschien door onkunde?

We hebben het hier over zo’n onvoorstelbaar krachtig ‘resonantiemechanisme’! Gods Geest die zijn best doet om die kostbare liefde van, en intimiteit met, de Vader te laten resoneren in mijn hart. Wat een verdriet moet het voor Abba zijn als die zoon of dochter, om wat voor reden dan ook, niet mee gaat resoneren in die liefde en intimiteit. Wat een verdriet als hij emotieloos min of meer op afstand blijft en niet steeds zelfbewuster en luider Papa, Papa, Papa gaat mee roepen met de Geest, totdat het uiteindelijk volledig spontaan vol liefde uit zijn ziel opborrelt elke keer als hij aan zijn Vader denkt.

Ik zal heel eerlijk zijn over mezelf. Ik heb het altijd heel onwennig gevonden en vermeden om Papa of Abba tegen God te zeggen, op een hoge uitzondering na, terwijl ik dit gedeelte wel degelijk kende. Tot ik me recent ging realiseren hoe raar dat was en dat het eigenlijk de zoveelste uiting was van een gebrek aan intimiteit, die er wel hoorde te zijn. Precies mijn persoonlijke probleem, dat ik in het begin van dit boek beschreef. Ik heb nu vrij recent eindelijk gehoor gegeven aan dat uitnodigende roepen van de Geest in mijn hart. Ik roep nu vol dankbaarheid en blijdschap en verwondering met Hem mee in mijn tijden van persoonlijk gebed. En ik kan zeggen, dat het heerlijk bevrijdend en mooi en verdiepend is om mijn Vader aan te roepen met dat intieme persoonlijke Papa…

Soms zeg ik Abba, maar eerlijk gezegd denk ik dat het logischer is om Abba in je eigen moedertaal te zeggen: voor mij dus Papa. Dat doet juist recht aan wat Paulus en de Geest proberen te bereiken: maximale intimiteit in de relatie met de Vader.

Mag ik je uitnodigen om het ook te doen als je die gewoonte nog niet hebt? Laat de Geest niet als een eenzame in je hart tot de Vader roepen, maar doe mee… De Vader snakt naar dat teken van vertrouwdheid. Hij heeft er zijn eniggeboren Zoon voor overgehad. Om jou te kunnen adopteren, zodat je Hem als volwaardige Papa zou aanvaarden en aanspreken.

Praktische vragen en suggesties

  1. Het kan goed zijn, dat mijn verhaal in dit hoofdstuk volledig nieuw en onwennig voor je is, terwijl je misschien al jaren Christen bent. De vraag is niet zozeer wat je tot nog toe hebt gedaan, maar eerder: wat ga je er vanaf nu mee doen?

  2. Mocht je grote aarzeling ervaren om je Hemelse Vader met Papa aan te spreken, kun je dan voor jezelf achterhalen waar die aarzeling vandaan komt?

  3. Wat vind je van mijn suggestie om het gewoon maar te gaan doen?
    Wat vind jij daarbij de meest logische keuze: Abba, of Papa?

  4. Een speciaal probleem doet zich voor als je geen goede relatie met je biologische vader hebt of had. Dat kan een grote psychologische barrière opwerpen om überhaupt te verlangen naar intimiteit met de Vader. De Bijbel gaat nergens in op dit reële psychologische probleem. Het enige advies dat ik kan geven is: ga in gebed en vraag God om deze psychologische barrière weg te nemen zodat je in alle vrijheid toch kunt genieten van deze intimiteit met Hem als volmaakt goede Vader. In het algemeen verdwijnen psychologische barrières niet zomaar. Blijf hier daarom volhardend voor bidden. Het is echt belangrijk omdat het zo’n groot verschil uitmaakt in hoe je je relatie met God beleeft.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.