Beeld van een berg

In de vorige hoofdstukken zagen we hoe de auteur van de Hebreeënbrief bijzonder visueel was ingesteld en zijn lezers daarin meenam. Sterker nog, hij geeft ons de opdracht om ons voortdurend Jezus in zijn lijden, sterven en opstanding ‘voor ogen te houden’. En hij stelt dat Jezus op zijn beurt hetzelfde deed door zich tijdens zijn lijden de vreugde voor te stellen die het resultaat zou zijn van zijn overwinning op zonde en dood.

Herinner je de context van deze uitspraken: de sterke dreiging van ernstige vervolging en de neiging van deze Joodse gelovigen om zich daarom te distantiëren van hun christelijke geloof. Die context wordt nadrukkelijk vastgehouden in de rest van Hebreeën 12. Niet verwonderlijk, want het is de context van de hele brief… Verzen 4 tot 17 zijn erg lastig te volgen voor Westerlingen omdat onze ideeën over opvoeding haaks staan op de cultuur waarin dit werd geschreven. Het lijkt alsof de lezers in allerlei ernstige zonde gevallen waren en daardoor door God gestraft werden. Maar de context wijst erop dat ‘de strijd tegen de zonde’ in vers 4, de strijd is van de verleiding om het geloof aan de kant te zetten. Ze moeten desnoods ‘tot bloedens toe’ weerstand bieden aan die verleiding. Dat betekent heel concreet dat ze bereid moeten zijn om ernstige vervolging te ondergaan voor hun geloof. Ook als dat geseling of stokslagen betekende. Ook als dat de marteldood in de arena zou betekenen.

Belangrijk voor ons op dit moment is die diepe ernst van de situatie waarin deze brief werd geschreven. Het gaat de auteur er niet om deze gelovigen ‘een extra geestelijk opkikkertje’ te geven. Het gaat letterlijk om leven en dood, en de bereidheid om het geloof vast te houden desnoods tot in de dood. Met dat besef in ons achterhoofd lezen we verder in Hebreeën 12:18.

De auteur schetst hier heel grafisch een sterke tegenstelling tussen twee ‘bergtaferelen’. Kern werkwoord is ‘naderen tot’. Helaas vertaalt de NBV het Griekse woord proserchomai heel statisch met ‘staan voor’. Het Grieks geeft juist beweging weer: ‘naderen tot’, zoals ik in alle andere vertalingen die ik raadpleegde bevestigd zag. Wij zijn niet genaderd tot de berg Sinaï zoals de Israëlieten onder leiding van Mozes. In plaats daarvan zijn wij genaderd tot de berg Sion, de ‘berg van het hemelse Jeruzalem’.

U hebt niet, zoals het volk destijds, voor een laaiend en alles verzengend vuur gestaan, of in dreigende duisternis en woeste wind, 19 noch te midden van bazuingeschal en stemgedonder. Het volk dat dit alles onderging smeekte dan ook dat er geen woord meer tot hen zou worden gesproken, 20 omdat wat hun werd opgedragen ondraaglijk was: ‘Zelfs een dier dat de berg aanraakt, moet gestenigd worden!’ 21 Zo schrikbarend was de verschijning dat Mozes uitriep: ‘Ik sidder van angst!’

Hebreeën 12:18-21

De auteur schildert hier met weinig, maar bijzonder doeltreffende, penseelstreken de scène van de berg Sinaï. Hij noemt enkel de dreigende kant van het tafereel, namelijk de grote angst die Jahweh opwekte met een mix van extreem natuurgeweld: laaiend vuur, dreigende duisternis (de wolk), woeste wind, bazuingeschal. En dan ‘stemgedonder’: dat slaat op de stem van Jahweh zelf die hoorbaar voor het hele volk de tien geboden uitsprak. Dat ging er dus niet zacht aan toe! Alles stond in het teken van Gods volmaakte en ongenaakbare heiligheid.

Interessant genoeg lezen we hier dat Mozes ook bang was. We vinden dat nergens terug in het O.T.. De enige plek waar Mozes iets schrijft over zijn eigen angst vinden we in Deuteronomium 9:19. Maar daar is hij niet bang voor zichzelf maar voor wat God het volk dreigt aan te doen… Misschien dat we hier te maken hebben met een persoonlijke inkleuring van het mentale beeld zoals de auteur zich dat voorstelde? Of mogelijk ontleent hij dit detail aan de Rabbijnse overlevering? In zijn bespreking van de geloofshelden in hoofdstuk 11 komen we namelijk regelmatig details tegen die niet in het O.T. te vinden zijn, maar wel in de Rabbijnse commentaren daarop.

Hoe dan ook: Gods multimediashow op de Sinaï was, met opzet, extreem angstaanjagend. Het hakte er emotioneel diep in bij de Israëlieten en Mozes. Wij hebben dat allemaal niet meegemaakt. Wij zijn niet genaderd tot die angstaanjagende berg. In tegenstelling daarmee, zijn wij genaderd tot een heel andere berg. De gedachtegang van de auteur is, dat het spektakel op onze berg, nog vele malen indrukwekkender is dan dat op de Sinaï! Groot verschil is dat alle indrukwekkende elementen van het spektakel op onze berg positief zijn in plaats van negatief en dreigend. De berg waartoe wij mogen naderen schept geen angst en afstand tot God. Juist niet: de berg waartoe wij mogen naderen zou juist een diep verlangen naar meer van God moeten oproepen.

Tenminste… dat is de strekking van wat de auteur hier schrijft. De grote praktische vraag is natuurlijk: ben jij ooit wel genaderd tot de berg van het hemelse Jeruzalem, zoals het hier wordt beschreven? Ken je die berg überhaupt?

Nee, u staat voor (NBG: u bent genaderd tot) de Sionsberg, voor de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en voor duizenden engelen die in vreugde bijeen zijn, 23 voor de gemeenschap van eerstgeborenen, die in de hemel ingeschreven zijn, voor God, de rechter van allen, en voor de geesten van de rechtvaardigen, die tot volmaaktheid gekomen zijn, 24 voor de bemiddelaar van een nieuw verbond, Jezus, en voor het gesprenkelde bloed dat krachtiger spreekt dan dat van Abel.

Hebreeën 12:22-24

Ik ontdekte zelf het grote belang van mentale beelden tijdens het bidden pas een jaar of tien geleden, toen ik over dit gedeelte wilde preken. Deze ontdekking heeft me sindsdien enorm geholpen met mijn concentratieprobleem tijdens het bidden.

Ik was eigenlijk van plan om alle details over ‘onze berg’ netjes te verklaren in de preek. Het had een mooie preek moeten worden vol warme bekende evangelische waarheden. Maar tijdens de voorbereiding realiseerde ik me wat de eigenlijke bedoeling van de auteur hier was. Het gaat niet om het nog eens herhalen van een lijstje van mooie evangelische waarheden. De auteur wil dat wij ons mentaal die twee bergen voorstellen. Hij wil dat we ons echt inleven in twee scènes. Hij wil dat we eerst het dreigende, angstaanjagende van de Sinaï mentaal herbeleven. Misschien heb je wel eens gedacht hoe spectaculair het geweest zou zijn als je die tijd met Mozes zelf mee had mogen maken. Maar de boodschap hier is dat wij mentaal een tafereel mogen ‘beleven’ dat vele malen indrukwekkender is. Ik schrijf het verkeerd: de boodschap is dat we dat tafereel moeten ‘beleven’. En dan niet omdat het nog meer overdondert door dreiging en spektakel, maar juist door schoonheid, vreugde, feest, intimiteit met de Vader door de Zoon. Het hele doel van de auteur hier is dat we emotioneel diep betrokken raken bij het mentale tafereel op de tweede berg en dat we ons realiseren hoe reëel de dingen zijn waarin we geloven.

Dat doel van de auteur kan alleen bereikt worden als we zelf meegaan in het mentale beeld dat hij hier oproept. We moeten er met hart en ziel zelf bij betrokken raken. Dat is precies wat hij bedoelt met ‘u bent genaderd tot’. Hij gebruikt het werkwoord ‘naderen tot’ maar twee keer. Eenmaal in negatieve zin voor de Sinaï, en eenmaal als hij de berg van het hemelse Jeruzalem gaat schilderen. Maar eigenlijk moet je ‘u bent genaderd tot’ herhalen bij elk detail over die tweede berg:

U bent genaderd tot de Sionsberg, u bent genaderd tot de stad van de levende God, u bent genaderd tot het hemelse Jeruzalem, u bent genaderd tot duizenden engelen, enz. enz.

In de NBV vertaling hierboven mag je zelf ‘staan voor’ vervangen door ‘naderen tot’. En daarna mag je dan telkens ‘en voor…’ vervangen door ‘en u bent genaderd tot…’.

Voordat ik mijn doel met dit gedeelte verder uitwerk, is het nuttig om eerst goed naar de details te kijken. Het is daarbij altijd goed om vertalingen met elkaar te vergelijken. Je zult dan merken dat er ook hier interessante verschillen voorkomen. Net als bij de details over het angstaanjagende spektakel op Sinaï, schildert de auteur hier met een minimum aan penseelstreken een krachtig, beeldrijk tafereel.

Ik help je even om de verschillen beter te kunnen plaatsen en om wat extra detail aan te brengen:

  • Het aantal engelen is murias. Dat kan vertaald worden met ontelbaar of met tienduizend. Hoe de NBV aan duizenden komt weet ik niet. De NBG schrijft ‘tienduizendtallen’. In modern taalgebruik zeggen we vaak ‘miljoenen’ als we eigenlijk ontelbaar bedoelen.
  • ‘In vreugde bijeen zijn’ is paneguris. Dat Griekse woord komt enkel hier voor in het N.T. Het betekent ‘vreugdevolle plechtige vergadering’. Volgens mijn Griekse woordenboek zit het woord agora, dat is markt, erin verweven. Het was in die cultuur dus vaak een feestelijke plechtige openbare bijeenkomst op het marktplein van de stad. Bijvoorbeeld om een militaire overwinning te vieren of om nieuwe keizerlijke stadsprivileges te vieren.
    De details van het beknopte Grieks maken niet duidelijk of dit een vergadering van de engelen is of een vergadering van de gemeente van eerstgeborenen. Het kan ook op beiden slaan, en dat lijkt me het meest voor de hand liggen. Alles en iedereen op deze berg is direct betrokken in deze plechtige maar feestelijke vergadering, zou ik zeggen.
    En om het beeld meteen wat concreter in te kleuren: laten we maar denken aan een extreem groot centraal plein in dit hemelse Jeruzalem, bovenop een hoge maar afgeplatte berg dus.
  • ‘De gemeenschap van eerstgeborenen’ is de ekklesia van eerstgeborenen. De normale betekenis van ekklesia in de Griekse wereld was de vergadering van alle vrije burgers met stemrecht binnen een stad of staat. Letterlijk betekent het ‘uitgeroepenen’. Deze vrije burgers met stemrecht werden zo nu en dan uit de totale populatie van de stad bij elkaar geroepen om mee te denken en te stemmen over belangrijke beslissingen. Het was in feite het begin van het concept van democratie. Dat gebeurde ook weer vaak op het grote open centrale stadsplein. Alle vrije burgers met stemrecht stonden netjes geregistreerd in de stadsarchieven.
    In het N.T. wordt ekklesia gebruikt voor ‘de kerk’, ‘de gemeente’. Enorm verrassend is de toevoeging ‘van eerstgeborenen’, prototokoi. Dit woord wordt in een geestelijke context binnen het N.T. verder enkel en alleen voor Christus gebruikt. Hij is Gods eerstgeboren Zoon, zie Kolossenzen 1:15. De eerstgeboren zoon in elk gezin was in die cultuur extra belangrijk, zowel bij Joden als bij Grieken en Romeinen. Elk gezin had uiteraard hoogstens één enkele eerstgeborene. De gewoonte om de eerstgeboren zoon meer rechten te geven, bracht gemakkelijk verdeeldheid en ongelijkheid met zich mee. Denk aan de tweelingbroers Jakob en Esau… Volgens mijn Tyndale commentaar moet de betekenis hier zijn dat God niemand voortrekt binnen zijn gezin. Wij zijn allemaal even belangrijk voor Hem! We zijn allemaal voor Hem net zo belangrijk als een eerstgeboren zoon.
  • ‘In de hemel ingeschreven’, of ‘opgeschreven’, is een prachtig beeld dat we vaker in de Bijbel tegenkomen. Mozes spreekt er voor het eerst over als hij God smeekt om het volk Israël te sparen na hun zonde met het gouden kalf. Hij voegt eraan toe dat Jahweh hem, Mozes, dan maar uit zijn boek moet schrappen als Hij het volk niet wil vergeven, Exodus 32:32.
    In Lukas 10:20 zegt Jezus dat we ons moeten verblijden omdat onze namen zijn opgeschreven in de hemel. In Openbaring 21:27 staat dat alleen zij die zijn opgeschreven in het boek van het Lam, toegang hebben tot het Nieuwe Jeruzalem.
    Net zoals de antieke Griekse vrije burgers met stemrecht stonden geregistreerd in de stadsarchieven, zo staan wij als het ware geregistreerd in de hemelse archieven!

Met deze details zie je een prachtige verbinding tussen de details van ‘een plechtige feestelijke vergadering’, ‘de ekklesia van eerstgeborenen’ en ‘in de hemel ingeschreven’. Al deze woorden en beelden zijn ontleend aan de Griekse stad. De uitgeroepenen (ekklesia) worden toegelaten tot de plechtige feestelijke vergadering op basis van hun inschrijving in het ‘hemelse stadsregister’. En die vergadering vindt plaats op het grote open plein in het midden van de stad. De stad is hier het hemelse Jeruzalem.

Sta ook even stil bij de nieuwe verrassende wending in de rollen van ‘spelers’ en ‘toeschouwers’ op het toneel of in de arena. Eerst waren wij als lezers toeschouwer van de geloofshelden uit het O.T. die in hoofdstuk 11 als het ware op het toneel voorbijkwamen. Toen werden zij plotseling een grote wolk ‘toeschouwers’ in de arena waar wij aan een afmattende hardloopwedstrijd deelnemen. En nu, een nieuw all-inclusive beeld: gestorven, trouw gebleven gelovigen, samen met de nu levende gelovigen binnen de ecclesia, juichend, feestvierend en aanbiddend voor Gods troon. Misschien zijn de miljoenen engelen nu de toeschouwers, zwevend rondom en boven deze hemelse berg? Of nemen ook zij volwaardig deel aan het all-inclusive hemelse arrangement? Ik denk het laatste.

Hoe dan ook: er valt dus genoeg te ontdekken door een serieuze studie van de details in deze prachtige verzen. Mijn Tyndale commentaar omschrijft deze verzen als een ‘discussie’ van het grote contrast tussen het Oude Verbond en het Nieuwe: onder het Oude Verbond was God onbenaderbaar, angstaanjagend, door zijn volmaakte heiligheid. Dit beeld van het hemelse Jeruzalem onderstreept dat dit in en door het Nieuwe Verbond precies omgekeerd is: het hele tafereel laat juist zien dat God in het midden van zijn volk aanwezig wil zijn. Zijn troon staat bij wijze van spreken midden op dat open stadsplein. Hij is door Middelaar Jezus juist heel benaderbaar geworden.

Op zich klopt die analyse van het Tyndale commentaar natuurlijk. Zo wilde ik er ook over preken. Tot het plotseling tot me doordrong wat de eigenlijke bedoeling van de auteur was met dit gedeelte. Het gaat om veel meer dan een meesterlijk beeldende ‘theoretische’ uitleg over de benaderbaarheid van God door zijn Zoon. Hij roept de lezers op om zelf ook mentaal ‘te naderen’ tot dit tafereel. Met andere woorden: we mogen de geestelijke werkelijkheid van al deze details zelf beleven door ons in te leven in dit mentale beeld. Ik zeg het weer verkeerd. De auteur gebruikt de voltooide tijd: ‘u bent genaderd tot het hemelse Jeruzalem’. Het heel reëel beleven van deze geestelijke werkelijkheid zou dus geen keuze moeten zijn, maar een vanzelfsprekendheid voor elke gelovige. Denken in krachtig sprekende Bijbelse beelden, zou voor elke gelovige volkomen normaal en onmisbaar moeten zijn. Het doorleven van de geweldige nieuwe werkelijkheid die we door Christus hebben ontvangen, zou door deze levendige mentale beelden verankerd moeten zijn in hoofd en hart. Dagelijkse diepe blijdschap, vreugde, verlangen zou het vanzelfsprekende gevolg moeten zijn voor elke gelovige. ‘U bent genaderd tot de Sionsberg, de stad van de levende God’. Is dat ook jouw beleving?

Ik ben ervan overtuigd geraakt dat dit rijke beeld het directe vervolg is op 12:2 waar we de opdracht lazen om ons ‘Jezus, de leidsman van ons geloof, voor ogen te houden’. Zoals we zagen vanuit het Grieks, een opdracht om bewust met grote regelmaat een gedetailleerd mentaal beeld van de strijd en overwinning van Jezus voor ogen te stellen. Volgens mij werkt de auteur in 12:22-24 uit hoe dat mentale beeld eruit zou kunnen zien. Er zitten weliswaar zo’n twintig verzen tussen, maar Hebreeën bevat veel meer voorbeelden van lijnen en thema’s die ergens worden begonnen, dan onderbroken, en vervolgens weer worden opgepakt voor verdere uitwerking.

Met mijn eigen woorden weergegeven is de oproep van de auteur zoiets als: “Sluit je ogen nou eens. Laat mentaal nou eens heel concreet binnenkomen wat je allemaal ontvangen hebt in Christus. Je bent onder de indruk van Gods manifestatie zoals je volksgenoten dat meer dan duizend jaar geleden beleefden bij de berg Sinaï? Dat was niets, in vergelijking met wat jij dagelijks mag beleven. Laat de geestelijke waarheid nou eens echt mentaal tot je doordringen. Stel je het hemelse Jeruzalem nou eens mentaal voor. Zie daar hoe de miljoenen engelen, maar ook wijzelf, plechtig, maar in grote vreugde in plaats van in angst, bij elkaar zijn rond Gods heilige troon. Ervaar het. Stel het je zo concreet mogelijk voor. Hoor het: luister naar de feestliederen. Doe in gedachten actief mee met het feest: zing mee, juich mee, aanbid mee. Richt je oog nu op Jezus, de Middelaar, de Hogepriester zoals hij daar staat naast Gods troon. Met een schaal bloed in zijn hand, zijn eigen bloed, als volmaakt Offerlam. Ervaar hoe Hij ook voor jou dat bloed met zijn vinger sprenkelt op het deksel van de ark en op de grond voor Gods troon. En hoor dan hoe ook dat bloed een stem blijkt te hebben, een stem sterker dan het vergoten bloed van Abel dat van de aardbodem tot God schreeuwde om vergelding, straf, wraak. Luister naar de fluisterende maar diep indringende stem van het bloed dat Jezus net voor jou gesprenkeld heeft: ‘Je bent vergeven, je bent vrij, je bent rein, je mag zonder angst God aanbidden, hier rechtstreeks voor zijn troon’.”

Ik probeerde deze boodschap over te brengen tijdens mijn preek. Ik ben bang dat die preek toen mislukt is. Als ik me goed herinner kreeg ik geen enkele respons na afloop. Het hele idee en het belang van mentale beeldvorming zoals de auteur ons hier voor schildert, was waarschijnlijk te onbekend. En onbekend maakt onbemind… Maar voor mij persoonlijk heeft die preek een belangrijke invloed gehad op het langzaam leren om intiemer bij God te zijn in gebed. Intiemer en met meer emotionele betrokkenheid, levendiger, rijker, bevredigender. Want voor mij is ‘beeldbidden’ de ultieme manier om ‘te naderen tot de Sionsberg’. Bijvoorbeeld heel concreet door dit bergbeeld al biddend en mediterend tot leven te laten komen. Maar na deze eerste ‘beeldontdekking’ ging er al snel een ongekende goudmijn voor me open tijdens het Bijbellezen.

Sta jij open om het voorbeeld van de schrijver aan de Hebreeën te volgen? Durf jij het aan om je in gebed dit intense tafereel van de berg Sion zo concreet mogelijk voor te stellen? Laat jij het mentaal zo levendig worden dat de emotionele impact veel groter is dan het spektakel op de Sinaï was voor het volk Israël? Want dat laatste is nu precies wat de auteur hier veronderstelt!

Praktische vragen en suggesties

  1. Neem nog eens rustig alle details door die ik geef over dit bergbeeld in Hebreeën 12.
    Maak nu op papier een lijstje met alle concrete elementen die de auteur hier kort schetst.

  2. Om nu al mediterend een levendig mentaal beeld te laten ontstaan pak je je lijstje met details erbij. Maar je zult waarschijnlijk het nodige zelf moeten inkleuren omdat de details zo summier zijn.
    Mag ik je op weg helpen? Het zijn maar suggesties.

    Op basis van uitspraken in het O.T. maak je de berg hoger dan alle andere bergen. Je hebt wel een afgeplatte bovenkant nodig voor de stad, met in het midden een immens groot open plein. Je mag dus denken aan een extreem hoge, uitgestrekte tafelberg. Er is geen tempel in het hemelse Jeruzalem omdat het in feite een beeld van ‘de hemel’ zelf is. En ‘de hemel’ IS Gods tempel, zijn ‘woonplaats’.

    Je mag je je overleden gelovige familie en vrienden voorstellen onder ‘de geesten van de rechtvaardigen die tot volmaaktheid gekomen zijn.’ Zo zie ik daar mijn zoon Stefan, die overleed na een dag in coma te hebben gelegen toen hij nog maar anderhalf was. En mijn vader, die jaren zo geleden heeft onder afasie voordat hij stierf. En mijn gelovige ooms en tantes.
    Een punt van aandacht bij dit detail: het kan en mag nooit de bedoeling zijn om bij zo’n levendig mentaal beeld van overleden geliefden interactie met hen te zoeken. Maar we mogen ons dus wel bewust zijn van hun aanwezigheid. Zij behoren tot ‘die wolk van getuigen’ die ons in onze hardloopwedstrijd gadeslaan. En wij op onze beurt mogen hen visualiseren terwijl ze genieten van de rust, genezing en volmaaktheid in het hemelse Jeruzalem.

    De tafelberg moet zo ruim zijn van boven omdat er rondom het plein natuurlijk ook huizen zijn. Ik stel me de ‘rechtvaardigen die tot volmaaktheid zijn gekomen’ voor als bewoners van die huizen. Zoals Jezus aangaf: ‘In het huis van mijn Vader zijn veel woningen, Ik ga naar Hem toe om die klaar te maken’.

    Ik stel me Middelaar Jezus voor als Hogepriester staand naast de troon van God. Concreet denk ik dan aan de Grote Verzoendag, Leviticus 16. De Hogepriester heeft zijn heilige linnen kleren aan en Hij heeft een schaal met zijn eigen bloed in zijn hand. Hij sprenkelt dat bloed op het deksel en vóór het deksel van de ark van het Verbond. Die ark zie ik voor Gods troon staan, of nog beter: die ark, en de cherubs op het deksel is Gods troon.

    Ik probeer me eerlijk gezegd meestal geen voorstelling van God te maken. Ik zie Hem dan voor me simpelweg als een groot helder, puur, warm licht. Maar de theofanieën in de Bijbel kunnen wel degelijk gebruikt worden om daar meer kleur aan te geven.  

  3. Misschien heb je overwogen om Openbaring 21 – 22:4 te betrekken bij het inkleuren van je mentale voorstelling van het hemelse Jeruzalem. Dat lijkt een logische gedachte. Maar ik denk dat het daar toch om een principieel andere setting en beeld gaat. Het gaat daar om het Nieuwe Jeruzalem: de definitieve eindsituatie van Gods schepping als alles volmaakt en volbracht is. Om het met Hebreeën 12 te zeggen: alle geesten van de rechtvaardigen zijn dan tot volmaaktheid gekomen. Het is niet voor niets dat in het beeld van Openbaring 21 die nieuwe stad ‘uit de hemel neerdaalt’. Het gaat om iets nieuws dat er nu nog niet is, ook niet in geestelijk opzicht. De bruiloft van Bruid en Bruidegom is dan al geweest. Bruid en Bruidegom zijn dan volkomen één geworden. De nieuwe stad IS de Bruid.
    Dat is zo volmaakt, puur en mooi dat die stad wordt beschreven met onvoorstelbaar rijke bouwmaterialen. Is het je opgevallen hoe in ons beeld van de berg van het hemelse Jeruzalem in Hebreeën 12, er niets wordt gezegd over de ‘aankleding’ van de stad zelf? Er is nadrukkelijk sprake van twee groepen gelovigen: de nu levende gelovigen van de ‘ekklesia van de eerstgeborenen’ en daarnaast de geesten van de overleden gelovigen die al ‘tot volmaaktheid gebracht zijn’. Wij als levende gelovigen zijn nadrukkelijk nog niet ‘tot volmaaktheid gebracht’. We zondigen nog regelmatig, we ruziën nog regelmatig, ook binnen de ekklesia. De Bruidegom heeft nog zijn handen vol aan ons. We hebben nog dagelijks besprenging met zijn bloed nodig…
    Maar goed, het fantastisch mooie toekomstbeeld in de laatste twee hoofdstukken van Openbaring is natuurlijk ook meer dan de moeite waard om als mentaal beeld over te mediteren terwijl je in gebed bent verzonken. Enkele tips om je op weg te helpen.

    Eén tip is om geen aparte symbolische betekenis te gaan zoeken bij alle soorten kostbare bouwmaterialen. Die zijn namelijk simpelweg niet (meer?) bekend. In plaats daarvan mag je gewoon de pracht, glorie en kunstige rijkdom van deze bijzondere, rijke stad op je in laten werken.

    Nog een tip: je studie van dit rijke gedeelte zal allerlei vragen oproepen: Is deze nieuwe schepping weer een materiële wereld? Wat ligt er om die stad heen? Wat stelt koningschap voor als iedereen tegelijk koning is? Waarom is er toch nog sprake van onreinheid buiten de stad? Zijn die maten niet veel te klein? Wat is ‘de maat van een engel’? Laat je niet afleiden door vragen waar je geen bevredigend antwoord op vindt. Vergeet niet dat het hier hoe dan ook om beeldtaal gaat. De regels van de logica zijn moeilijk toepasbaar binnen beeldtaal. Concentreer je in plaats daarvan op wat wel helder is.

    Let extra goed op hoe er over God en Jezus wordt gesproken. Let op wat er gezegd wordt over een tempel.

    Zie je hoe de relationele beelden van een Bruidegom-Bruid en Vader–zoon naar voren komen? Zie met verbazing hoe het beeld van een Bruid moeiteloos overvloeit naar het beeld van een stralende stad! Deze Stad IS de Bruid! Goed beschouwd is de Stad zelf ook de Tempel, maar God en het Lam zijn zo verweven met de Bruid, dat we in 21:22 lezen: God is de tempel, en het Lam!

    Zie je hoe in 21:7 het erfdeel en het zoonschap weer in één adem worden genoemd? Let nu eens op ‘Wie overwint zal alles beërven’. Normaal gezien werd de erfenis verdeeld over de zonen. Niemand kreeg dus alles tenzij er maar één zoon was. Volgens het Joodse recht kreeg de eerstgeborene daarbij de helft. Maar hier staat dat elke zoon ALLES erft. Alle zonen (en dochters) zijn dus eerstgeborenen, net als in Hebreeën 12. Al Gods bezittingen zullen van mij zijn, en al Gods bezittingen zullen van jou zijn.

    Het doel van Openbaring is bemoediging om trouw te blijven in een periode van gruwelijke Romeinse vervolging. Precies dezelfde context als de Hebreeënbrief dus. Let op hoe 21:7 naadloos aansluit bij onze eerdere bespreking van Hebreeën 11 en 12. Ook hier weer het beeld van overwinnen in de arena. Maar deze keer waarschijnlijk geen hardloopwedstrijd in de arena, maar een gruwelijk gevecht met wilde dieren. Die hongerige leeuwen wonnen altijd, maar toch is er sprake van overwinning door de gelovigen in die gruwelijke arena: juist het trouw blijven tot in de dood is de ultieme overwinning. Als trofee voor die overwinning is er het volledige erfdeel van God. Het is duidelijk de bedoeling van Johannes en van de Geest dat ze dat mentale beeld voor ogen hielden in die bange uren als ze naar die gruwelijke arena werden gesleurd.
    Hoe serieus is het geloof voor jou eigenlijk? Wat heb je ervoor over? Hoe blijkt dat uit je dagelijkse handel en wandel? Hoe blijkt dat uit de intensiteit van je omgang met God en zijn Woord?

    Voor mij persoonlijk bevat Openbaring 21 – 22:5 te veel prachtige details om allemaal te memoriseren en dan als mentaal beeld bij het bidden te gebruiken. Wat ik in zo’n situatie doe is simpelweg langzaam, keer op keer, al biddend in stukjes lezen en herlezen, terwijl ik mijn hart in aanbidding openstel voor de Geest.
    Probeer het maar.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.