De Poort tot de Vader

In dit hoofdstuk wil ik iets met je delen dat mijn gebedsbeleving nadrukkelijk intiemer heeft gemaakt.

We gaan nadenken over een aantal uitspraken van Jezus in het Johannes Evangelie tijdens zijn gesprekken met de discipelen na het laatste Avondmaal. Het is belangrijk om je te realiseren dat Johannes 13 tot en met 17 een samenhangend geheel vormen: de viering van het laatste Avondmaal en de gesprekken, die ondertussen en daarna plaatsvonden tijdens de wandeling naar Getsemane.

We komen in deze hoofdstukken een hele serie prachtige en bekende uitspraken van Jezus tegen en beseffen vaak veel te weinig wat de zwaarbeladen context is. Als we de Bijbel lezen is het belangrijk om ook na te denken over de sfeer, de emotie van een bepaald gedeelte. Jezus zegt al vlak voor het Avondmaal:

‘Nu ben ik doodsbang. Wat moet ik zeggen? Vader, laat dit ogenblik aan mij voorbijgaan? Maar hiervoor ben ik juist gekomen.’

Johannes 12:27

En tijdens het Avondmaal lezen we:

Nadat hij dit gezegd had werd Jezus diepbedroefd …

Johannes 13:21

Het kan niet anders of de spanning was te snijden. Hun Rabbi, die drie jaar lang voor niets en niemand bang was geweest en overal een wonderbaarlijke oplossing voor bleek te hebben, bekent nu hardop dat Hij doodsbang is… Die bedroefdheid en angst moet overgeslagen zijn op de discipelen. In hoofdstuk 16 lezen we dan over de ultieme troost die Jezus hen probeert te bieden in dit bedroefde en angstige moment:

‘Jullie hebben nu verdriet, maar ik zal jullie terugzien, en dan zul je blij zijn, en niemand zal je je vreugde afnemen. 23 Dan hoeven jullie mij niets meer te vragen. Maar ik verzeker jullie: wat je de Vader ook vraagt in mijn naam – hij zal het je geven. 24 Tot nu toe hebben jullie niets in mijn naam gevraagd, maar vraag het en je zult het ontvangen. Dan zal je vreugde volmaakt zijn.
25 Ik heb jullie dit alles in beelden verteld, maar er komt een tijd dat ik niet meer in beelden spreek, maar jullie zonder omwegen over de Vader vertel. 26 Als je dan iets vraagt in mijn naam, hoef ik het niet meer namens jullie aan de Vader te vragen, 27 want de Vader zelf heeft jullie lief, omdat jullie mij liefhebben en geloven dat ik van God ben gekomen.’

Johannes 16:22-27

Jezus adresseert expliciet hun verdriet in vers 22. Hij probeert hen op te beuren en hoop en blijdschap te geven door op de nabije toekomst te wijzen. De vreugde na zijn opstanding zal zo groot en sterk zijn, dat niemand het hun nog af zal kunnen pakken (22). En waar zal die onverwoestbare vreugde dan vandaan komen? Lees goed, want dit zou in principe net zo goed voor ons moeten gelden!

Jezus spreekt over een compleet nieuwe manier van bidden. Iets dat ze nog helemaal niet kenden en waar ze nog nooit van gehoord hadden: Bidden in Jezus’ naam (24)! Doe echt je best om dit tot je door te laten dringen. Wij zijn zo gewend aan de afrondende gebedsfrase: ‘In Jezus’ naam, Amen’ dat de kans groot is dat je nooit stil staat bij de betekenis ervan… Stonden we er maar wel bij stil, dan zouden we heel anders bidden!

Jezus zegt hier namelijk expliciet dat zij (en wij) niets aan Hem (Jezus) hoeven te vragen in gebed. Je gelooft me niet? Vers 23: ‘Dan hoeven jullie mij niets meer te vragen.’

En lees 26 nog maar eens: ‘Als je dan iets vraagt in mijn naam, hoef ik het niet meer namens jullie aan de Vader te vragen’ (NBV). Misschien bedoelde Jezus dit wel, maar Hij zei eigenlijk iets heel anders. Kijk maar naar de veel letterlijker vertaling van de NBG:

‘Te dien dage zult gij in mijn naam bidden en Ik zeg u niet, dat Ik de Vader voor u vragen zal’.

Dat klinkt nogal cru in mijn oren… Oneerbiedig vertaald zegt Jezus hier zoiets als: ‘Jullie hebben Mij straks niet meer nodig als ’doorgeefluik naar de Vader’. Jullie kunnen Hem dan rechtstreeks zelf bereiken. Zijn deur staat altijd voor jullie open.’

Herinner je je nog wat ik eerder schreef over bewust nadenken tot Wie je je richt in gebed? Geen verzinsel of moeilijkdoenerij van mij hoor. Mijn inzicht daarin komt van dit gedeelte. Toen het voor het eerst echt tot me door ging dringen sloeg het in als een bom. Waarom wist ik dat niet? Waarom had ik dat nooit zo horen uitleggen? Waarom had ik dat anderen niet horen voordoen? Ik had altijd geleerd dat ik naar Jezus mag gaan met al mijn noden en dat deed ik dan ook.

Aangezien Jezus dit aan zijn discipelen leert, nadrukkelijk als ultieme troost in dit bange moment, en als bron van onverwoestbare vreugde, zodra ze zo zullen mogen bidden, mag je veronderstellen dat het bidden op deze manier een grote impact zal hebben op je emoties. Het maakt gebed nog veel intiemer, dan het in principe al is. Het is bron van de grootst mogelijke vreugde. Zo heb ik het persoonlijk ook inderdaad ervaren. Waarom is dat?

Probeer je in te leven in de situatie van de discipelen. Zij kenden Jezus zo’n drie jaar als Rabbi. Ze kenden Hem uiteraard als mens. Bij vlagen waren ze zich iets gaan realiseren van zijn goddelijkheid. Als Jezus de storm kalmeert lezen we bijvoorbeeld, dat ook Petrus zich aanbiddend voor Hem neerwerpt in de boot. Maar ik kan me zo voorstellen, dat Petrus zich daarna afvroeg of hij geen fout had gemaakt. Mag je een mens wel aanbidden? Het moet een enorm lastig dilemma geweest zijn voor de discipelen. De ‘ongelovige’ Thomas is de eerste die nadrukkelijk belijdt: ‘Mijn Heer en mijn God’. Dat was na de opstanding.

Je kunt je zo voorstellen, dat de discipelen de gewoonte hadden aangenomen om hun praktische dagelijkse problemen bij Jezus neer te leggen en Hem om gebed te vragen, precies zoals wij dat doen met vertrouwde broeders en zusters als we een serieus probleem ervaren. ‘Wil je voor me en met me bidden?’ Een prachtige vorm van gemeenschap onderling. En bij Rabbi Jezus was succes ook nog eens gegarandeerd! Denk maar aan de zieke schoonmoeder van Petrus. De discipelen zagen en hoorden dagelijks hoe intiem Jezus met de Vader omging. Bidden op die manier kenden ze niet. De aanspreektitel ‘Vader’ werd door Joden soms wel in gebed gebruikt, maar dan was de betekenis vooral een collectief vaderschap: Vader van het hele volk. Vandaar het gebruikelijke collectieve voorvoegsel ‘Onze’, dat Jezus ook gebruikte in de aanhef van het Onze Vader. Maar als ze Jezus de Vader met het super persoonlijke en intieme ‘Abba’ hoorden aanspreken tijdens zijn persoonlijke gebeden, realiseerden ze zich dat Hij iets met de Vader had, dat zij totaal misten. God was voor hen in principe zo groot, machtig en heilig dat Hij eigenlijk min of meer onbereikbaar was. Zelfs de Naam, die Hij aan Mozes had geopenbaard mocht niet worden uitgesproken. De correcte uitspraak van die Naam was zelfs verloren gegaan omdat Hij nooit werd uitgesproken en het gebrek aan medeklinkers het onmogelijk maakt om de correcte uitspraak af te leiden uit de geschreven vorm. Vrome Joden baden wel drie keer per dag, maar het was bidden op afstand. Bidden zonder de beleving van een persoonlijke relatie.

Ik kan me zo voorstellen dat ze zo verwonderd waren over het geheim van Jezus’ omgang met de Vader, dat ze misschien soms wel achter Hem aanslopen als Hij ’s nachts hun logeeradres uitliep om rustig alleen in de nacht te kunnen bidden. Joden baden altijd hardop. Ze konden dus op afstand horen hoe Jezus zo intiem en persoonlijk met zijn Abba sprak. Dat was zo onbekend en tegelijk zo mooi, dat ze niet voor niets op een gegeven moment vroegen: ‘Heer, leer ons bidden’. Voor Jezus was bidden duidelijk een uiting van een diep persoonlijke relatie. Voor de discipelen meer een vrome verplichting, een vage hoop dat de hemel zou meeluisteren. Een uiting van geloof en onderwerping aan het gezag van de Eeuwige, die in principe toch eerst en vooral onbereikbaar was voor zondige aardse stervelingen.

Ze hoorden en proefden dus dat het bij Jezus totaal anders was. Ze verlangden daarnaar, maar begrepen terecht, dat dat voor hen onbereikbaar was. Het geheim ervan bleef een raadsel voor ze. En nu, als ultieme troost zegt Jezus dus dat zij binnenkort op exact dezelfde manier als Hij, persoonlijk toegang zullen krijgen tot de Vader…

Voor de discipelen was het volkomen nieuw en onbekend terrein. Maar wij kennen het geheim van Jezus’ intieme omgang met de Vader wel, in theorie in elk geval. Wij weten en leren terecht, dat Jezus zelf, door zijn dood, die weg voor ons heeft vrijgemaakt. Jezus is de Poort tot de Vader, zoals we ook in ditzelfde gedeelte lezen en in evangelisatieboodschappen zo graag uitbazuinen:

‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door mij.’

Johannes 14:6

Jezus is de Weg tot de Vader, Hij is de Poort. Dat is zo’n onvoorstelbaar mooie waarheid, dat we daar gretig dagelijks volop gebruik van maken en er een intense vreugde door beleven die met niets anders in het leven te vergelijken is toch? Of toch niet… Zeg het zelf maar, maar wees eerlijk in wat je zegt.

Wat is er in vredesnaam gebeurd met ons gebedsonderwijs? Hoe komt het, dat dat bewust koesteren van die vrijheid om expliciet rechtstreeks toegang te hebben tot het hart van de Vader zo onderbelicht en weinig benut wordt? We bidden wel, maar besteden vaak totaal geen aandacht aan de vraag tot Wie we eigenlijk bidden.

Ik denk, dat ik mag stellen, dat als we wel bewust stil staan bij Wie we aanspreken, we dan vooral geneigd zijn om naar Jezus te gaan. Onze theologie heeft een enorm sterk christocentrisch accent gekregen. We willen christocentrische prediking in christocentrische gemeenten. Paulus leert het ons toch nadrukkelijk:

Ik had besloten u geen andere kennis te brengen dan die over Jezus Christus – de gekruisigde.

1 Korinthe 2:2

Ja en amen, maar we vergeten gemakkelijk, wat het ultieme doel van Christus zelf en zijn kruis eigenlijk was: ons bij de Vader brengen, rechtstreeks aan zijn Vaderhart. Zo rechtstreeks dat Jezus dus eigenlijk zegt: ‘Ik hoef niet eens een goed woordje voor je te doen bij de Vader. Je bent zelf helemaal welkom bij de Vader. Hij weet dat je Mij liefhebt en daarom heeft Hij jou lief (Johannes 16:27).’
Beleef die onvoorstelbare rijkdom en vreugde dan ook. Maak expliciet gebruik van die toegang!

Ik zou dus zeggen: Christocentrisch, ja, belangrijk, maar Patrocentrisch nog belangrijker. De Vader in het centrum van ons geloof en Christus heeft die Weg voor ons gebaand. Of wellicht nog wijzer: simpelweg Theocentrisch: God in al zijn volheid en rijkdom: Vader, Zoon en Geest in het midden. Maar wel recht doend aan de individuele Personen binnen de Drie-eenheid, inclusief de nieuwe benaderbaarheid van de Vader.

En ook dit is weer niet een kwestie van goed of fout. Jezus heeft het in Johannes 14-16 ook nadrukkelijk over bidden tot Hem, tot Jezus dus. Daar is dus absoluut niets mis mee. Ook dat is heerlijk en rijk en vreugdevol om te doen. Maar het wordt echt raar en niet meer uit te leggen als we ons enkel tot Jezus richten en amper tot de Vader, terwijl Jezus juist voor die onbeschrijfelijke mogelijkheid zo’n afschuwelijk offer heeft gebracht. Jezus die we liefhebben, heeft het mooist denkbare voor ons klaargemaakt met inzet van zijn leven, en vervolgens maken we er amper gebruik van? Of in het beste geval bidden we heel vaag tot ‘de Heer’ en tot ‘God’ zonder dat we de moeite nemen om na te denken met Wie we nou eigenlijk spreken. Curieus en absoluut niet in lijn met wat Jezus ons in Johannes 16 leert.

In het volgende hoofdstuk wil ik je laten zien hoe Paulus dit beleefde. Maar eerst kort nog een woordje over de uitdrukking: ‘In mijn naam’. We vinden die uitdrukking in deze hoofdstukken van Johannes maar liefst zes keer. Op het eerste gezicht lijkt de betekenis simpel. Oneerbiedig gezegd lijkt het te betekenen, dat we bij de Vader aan mogen kloppen, omdat we een positieve referentie van Jezus ’op zak’ hebben. Ik hoop dat je begrijpt wat ik bedoel. We kunnen rechtstreeks bij de Vader terecht op basis van de merites van Jezus. Dat lijkt helemaal te kloppen met die Poortfunctie van Jezus: Hij is de Weg tot de Vader. Maar er is een potentieel probleempje afhankelijk van de vertaling, die je gebruikt. De NBG vertaling van 14:14: ‘Indien gij Mij iets vraagt in mijn naam, Ik zal het doen.’ Wat betekent het om iets aan Jezus te vragen in zijn eigen naam? We hebben hier te maken met een vers waarvan verschillende versies van de grondtekst bestaan. In sommige manuscripten, zoals die waarop de Staten Vertaling is gebaseerd ontbreekt het woordje ‘Mij’. En ook de NBV laat het woordje ‘Mij’ weg waardoor er minder een probleem lijkt te zijn: ‘Wanneer je iets in mijn naam vraagt, zal ik het doen.’ (NBV).

Welke versie je ook kiest, het blijft een bijzondere uitspraak, omdat de meest voor de hand liggende versie zonder het woordje ‘Mij’ dan suggereert, dat Jezus het heeft over bidden tot de Vader. Maar Jezus zegt dan dus dat Hij (Jezus) dat gebed zal verhoren. Je vraagt iets aan de Vader en de Zoon verhoort dat gebed… In sommige andere uitspraken van Jezus over vragen in zijn naam laat Hij in het midden wie het gebed zal verhoren. Maar in Johannes 16:23 en 15:16 zegt Jezus expliciet, dat de Vader zal geven waar we Hem om vragen. Nogmaals een bevestiging, dat het allemaal niet zo super zwart-wit is en zeker geen kwestie van goed of fout bidden. Laten we maar zeggen, dat de Vader en de Zoon samen voor de verhoring zorgdragen. Dus wat de uitwerking van het gebed betreft, maakt het niet uit tot Wie je bidt zou je kunnen zeggen, maar vanuit een relatieperspectief maakt het wel degelijk een verschil. Het is gewoon een ongelooflijke gunst, dat we onze noden rechtstreeks met de Vader mogen bespreken wetend dat Hij ons dankzij het offer van Christus met wijd open armen ontvangt. En voor Jezus is die gunst, waarvoor Hij de volgende dag met zijn leven ging betalen, de grootst denkbare bron van vreugde die Hij zijn discipelen te bieden had.

Bewust ‘In Jezus’ naam’ bidden heeft wel nog een heel andere praktische consequentie: wees er zeker van, dat je verzoek ‘Jezus-waardig’ is. Vraag je dus telkens bewust af of Jezus eigenlijk wel vol overtuiging achter je verlangen kan staan…

Praktische vragen en suggesties

  1. Hoe gebruik jij de frase ‘In Jezus’ naam’ in praktijk in je gebedsleven?
    Welke betekenis heeft het voor jou persoonlijk?
    Sta je telkens bewust stil bij die betekenis als je deze frase gebruikt in gebed?

  2. Op basis van de ervaringen, die ik mijn hele leven als Christen heb meegemaakt, geef ik in dit hoofdstuk een vrij negatief beeld over de manier waarop we vaak geen gebruik maken van de onvoorstelbare vreugdebron, die Jezus zijn discipelen voorhoudt. Dat is natuurlijk een generalisatie en generaliseren is altijd gevaarlijk. De belangrijkste vraag is uiteraard: hoe werkt dit bij jou? Ken jij die diepe vreugde, die ontstaat door de gunst van het rechtstreeks en expliciet contact hebben met de Vader?
    Hoe vaak sta je erbij stil hoe bijzonder deze gunst eigenlijk is?

  3. Hoe kan dit hoofdstuk jou persoonlijk helpen om intiemer met God om te gaan?
    Ben je concreet van plan daar iets mee te doen? En zo ja, wat precies?

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.