Heiliging en omgaan met zonde

In een van de eerste hoofdstukken van dit boek schreef ik het volgende:

Dit boek gaat over het praktisch zoeken naar intimiteit met God en dus ook over het gemis aan het ervaren van die intimiteit. Nu wil ik hier absoluut niet suggereren dat dat gemis aan intimiteit met God noodzakelijkerwijs voortkomt uit concrete onbeleden zonden in je leven. We moeten wel vaststellen dat het probleem door zonde de wereld in kwam en dat onbeleden zonde ook voor ons altijd dezelfde desastreuze gevolgen zal hebben als in het geval van Adam en Eva.

Hoofdstuk ‘ De ultieme intimiteits killer’

Ik heb toen bewust ingezoomd op de algemene, altijd aanwezige, impact van de zondeval op intimiteit met God. Het wordt nu tijd om stil te staan bij concrete persoonlijke zonde en de gevolgen daarvan op onze omgang met onze volmaakt heilige Vader.

Een van de redenen, dat ik dit belangrijke praktische onderwerp nu pas aan de orde breng in dit boek, is simpelweg dat ik het lastig vind om erover te schrijven. Of misschien beter gezegd: ik vind het lastig om de juiste toon te vinden. Ik vermoed dat ik niet de enige ben. Ik stel in elk geval vast dat men in mijn evangelische kerkelijke omgeving er niet vaak over spreekt, hoewel het eigenlijk een super belangrijk praktisch onderwerp is. We willen zo graag bemoedigen en met positieve onderwerpen bezig zijn. Het belijden van zonden heeft met zonde te maken, en dat is per definitie zwaar en negatief.

We leren mensen die pas tot geloof zijn gekomen natuurlijk wel vrij snel de simpele basis over dit onderwerp: na persoonlijke zonde moet je dat zo nodig bij de benadeelde partij belijden en goedmaken en daarna bij God. Vraag om vergeving en het is meteen weer in orde tussen jou en God.

Tegenwoordig wordt er dan meestal ook aan toegevoegd dat je er daarna nooit meer op terug mag kijken want vergeven is vergeten. Als je wel terugkijkt zou dat een teken zijn dat je Gods vergeving in twijfel trekt.

Dit boek gaat niet over het omgaan met verleiding, zonde, vergeving en verzoening. Maar dit onderwerp heeft zo’n grote impact op het ervaren van intimiteit met God dat ik er toch wel uitgebreid bij stil wil staan. Ondanks het deels negatieve onderwerp, hoop ik dat je me hierin wilt volgen, al was het enkel maar vanwege het grote Bijbelse belang ervan. Aan de ene kant valt er over deze praktische onderwerpen veel te zeggen en te schrijven en aan de andere kant wordt hier verrassend weinig aandacht aan besteed in ons evangelisch kerkelijke onderwijs. Bij elkaar genomen leek het me daarom verstandig om hier meerdere hoofdstukken aan te besteden. In dit inleidende hoofdstuk doe ik de aftrap.

Met dank aan Erickson

Vanuit de klassieke Systematische Theologie gezien, zitten we met deze onderwerpen midden in het ‘hoofdstuk’ over heiliging. In een poging om een en ander voor mezelf helder op een rijtje te krijgen, leek het me een goed idee om de relevante hoofdstukken in het bekende standaardwerk over Systematische Theologie van Erickson nog eens door te nemen (Christian Theology, Millard J. Erickson, uitgegeven door Baker Book House. Ik heb de achtste druk uit 1991). In de uitleg van Erickson komt het onderwerp heiliging aan de orde in hoofdstuk 46: The Continuation of Salvation. Hij splitst dat hoofdstuk op in een meer theoretisch deel (Sanctification) en een praktisch deel (The Christian Life). In de twee eerdere hoofdstukken over The Beginning of Salvation wordt een belangrijk fundament gelegd. Die hoofdstukken gaan over de vraag hoe een mens tot geloof komt en wat er dan allemaal gebeurt. Denk dan aan fundamentele onderwerpen als geloof, bekering, wedergeboorte, adoptie, rechtvaardiging en verzoening.

Dit is geen wetenschappelijk boek waardoor ik me ook niet geroepen voel om om de haverklap te verwijzen naar allerlei geleerde theologische werken. Bij de praktische maar ook behoorlijk lastige onderwerpen waar deze hoofdstukken over gaan, wil ik dat ook niet doen, maar ik zal wel regelmatig simpelweg naar Erickson verwijzen, met hooguit een bladzijde nummer erbij om aan te geven dat ik de gedachtegang aan hem te danken heb.  Mocht je toevallig over zijn standaardwerk beschikken dan zou je daar dus meer informatie op kunnen zoeken, zo niet ook geen ramp.

Ik was eerlijk gezegd al volop begonnen met het schrijven van een aantal hoofdstukken over het belijden van zonden voordat ik besloot de genoemde hoofdstukken in Erickson nog eens door te nemen. Al schrijvend probeer ik me namelijk niet zozeer te baseren op beroemde theologen, maar op belangrijke bijbelgedeelten. Al denkend en schrijvend over het praktisch belijden van zonden liep ik een beetje vast omdat ik eigenlijk tot mijn verbazing vaststelde dat ik vooral in het N.T. weinig concrete bijbelse passages kon bedenken over dat onderwerp. En zoals dat wel vaker gaat als je er een geleerd theologisch werk bij pakt, werd mijn verbazing alleen maar groter toen ik probeerde te onderzoeken wat Erickson hierover te melden heeft… Hoewel hij een belangrijk deel van zijn hoofdstuk over heiliging aan praktische onderwerpen wijdt, bleek hij met geen woord over het belijden van onze dagelijkse zonden te schrijven!

In zijn bespreking van heiliging schetst Erickson wel de contouren van een aantal zaken die kunnen verklaren waarom we in praktijk zo weinig aandacht voor onderwijs over het belijden van zonden lijken te hebben. Daarom verwijs ik hier en daar toch naar zijn standaardwerk.

Wat is heilig?

Laten we bij het begin beginnen, op het gevaar af om een aantal open deuren in te trappen. Wat betekent het woord heilig in de Bijbel? Zoals voor zoveel onderwerpen geldt, vinden we in het O.T. de basis. Het Hebreeuwse woord voor heilig, kadosh, betekent letterlijk: afgesneden, apart gezet. Allerlei plaatsen, zaken en personen worden in het O.T. heilig genoemd. De fundamentele gedachte is dat God volmaakt heilig is en dat die heiligheid als het ware afstraalt op bepaalde plaatsen, voorwerpen en personen. Die heiligheid in het aardse domein is nooit vanzelfsprekend en moet angstvallig bewaakt worden zoals uit veel wetten in het O.T. blijkt. Deze heilige zaken zijn dus ‘apart gezet’ voor de dienst aan een volmaakt heilige God.

Erickson (blz. 968) maakt hier de interessante en belangrijke opmerking dat dit bekende concept van heiligheid in feite maar een van de twee betekenissen van het woord heilig dekt. Hij wijst erop dat heiligheid in de zin van ‘apart gezet’ eigenlijk helemaal los staat van geestelijk of moreel gedrag! Voorwerpen, plaatsen en personen werden heilig verklaard, en daartoe ingewijd (schoongemaakt zou je kunnen zeggen) door speciale reinigingsrituelen waarbij offers en offerbloed uiteraard een belangrijke rol speelden. We krijgen van de eerste Hogepriester Aäron niet direct een erg heilig of positief beeld. Denk bijvoorbeeld aan zijn rol bij het maken van het gouden kalf. Ook twee van zijn zonen maken er direct na hun inwijding zo’n zooi van dat God ze doodbliksemt terwijl ze in de kersverse tabernakel staan te stuntelen op hun eigen manier, Leviticus 10:1-3. Schokkend genoeg lezen we over dit bovennatuurlijke verterende vuur direct na het verslag van het positieve vergelijkbare hemelse vuur dat het eerste offer bovennatuurlijk in brand stak tijdens de eerste inwijding van de offerdienst als dusdanig, Leviticus 9. Je krijgt daardoor de indruk dat Aärons zonen meteen al de dag na de inwijding van het kersverse heiligdom, op hun eigenzinnige en onheilige manier aan de slag gingen.

God verklaart dus bepaalde dingen heilig. En helaas verliezen ze gaandeweg de rit die heiligheid door menselijk toedoen. In de meeste gevallen zijn er gelukkig rituelen voorhanden om heiligheid te herstellen als het fout gaat: wassingen, offerdieren, wachttijden, enz. Het lijkt al met al wel alsof de goddelijke ‘heiligverklaringen’ van zaken in het O.T. meer een goddelijke intentieverklaring en droom betreffen dan een geestelijke of morele werkelijkheid. We weten uit het N.T. dat dit inderdaad klopt: heel de wetgeving is een soort aanschouwelijk onderwijs, typologie of ‘afschaduwing’ van de geestelijke werkelijkheid in en door Christus en zijn zoenoffer. Vooral de Hebreeën brief gaat hier uitgebreid op in.

Hoe dan ook, deze basisbetekenis van het woord heilig wordt volgens Erickson meegenomen naar het N.T. En dan met name in het typische woordgebruik waarbij gelovigen in het N.T. standaard ‘heiligen’ worden genoemd. Het meest opmerkelijke voorbeeld hiervan vinden we in de inleiding van de eerste Korinthe brief als je bedenkt hoeveel super onheilige dingen er in die gemeente speelden! Erickson noemt ook de volgende bekende uitspraak van Petrus:

Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie

1 Petrus 2:9

Ongeacht de concrete geestelijke toestand van de gelovigen of van de gemeente in haar geheel, worden we steevast heiligen genoemd. Volgens Erickson is dit dus in navolging van de basisbetekenis van het begrip kadosh in het O.T. waarbij het doel, de intentie en het verlangen van God voorop staat, en waarbij de geestelijke en morele werkelijkheid maar een ondergeschikte rol speelt.

Een tweede, net zo fundamentele, betekenis van het Bijbelse begrip heilig gaat dan juist wel over de geestelijke en morele werkelijkheid. In deze betekenis betreft het nadrukkelijk een geestelijke en morele conditie. Je zou deze conditie kunnen samenvatten als: ‘lijken op God’.

Volgens Erickson is deze tweede betekenis van heilig in het N.T. steeds belangrijker geworden, en is zodoende de meest vanzelfsprekende betekenis van het woord geworden.

Naast deze dubbele definiëring van heilig, doet Erickson kort een aantal bekende, in praktisch opzicht zeer belangrijke, Bijbelse vaststellingen:

  1. Heiligheid in het leven van een gelovige is altijd het werk van God zelf door Christus en door de Geest. Je kunt dit bijvoorbeeld expliciet lezen in 1 Tessalonicenzen 5:23, Efeze 5:26 en Hebreeën 13:20, 21.
    De geestelijke en morele eigenschappen waar God op hoopt worden ook niet voor niets de vrucht van de Geest genoemd door Paulus in Galaten 5. Heel dat hoofdstuk bespreekt trouwens de onmisbare rol van de Geest om heilig te kunnen leven.

  2. Erickson (blz. 969): God is altijd de bron achter heiligheid. Maar de gelovige heeft hier wel een heel belangrijke verantwoordelijkheid. Heiligheid overkomt een mens namelijk nooit zomaar als door een wonder. De Geest doet het, maar wij hebben de belangrijke verantwoordelijkheid om ons te laten leiden door de Geest en om het spoor te houden door de Geest, Galaten 5:13-26.
    Ook het bekende praktische zesde hoofdstuk van de Romeinen brief legt een grote nadruk op onze eigen verantwoordelijkheid in het heiligingsproces. Je zou het zo kunnen stellen: de Geest is de krachtbron voor heiligheid, maar Hij dringt zich nooit op. Wij hebben de verantwoordelijkheid om Hem telkens opnieuw de ruimte te geven en ook bewust uit te nodigen om zijn heiligingswerk in ons te doen.

  3. Erickson (blz. 969) wijst op het grote praktische verschil tussen rechtvaardiging en heiliging. Rechtvaardiging is alles of niets. Je zou kunnen zeggen dat het een eenmalig proces is waarbij God in Christus de nieuwe gelovige ondanks zijn zonden (verleden, heden en toekomst) rechtvaardig verklaart op basis van het offer van Christus. De morele en geestelijke schuld van alle onrechtvaardigheid en zonde is door Christus eens en voor altijd afbetaald. Een gelovige is daarom bij zijn bekering door God rechtvaardig verklaard en blijft die positie behouden, ook als er weer zonde in zijn leven speelt. Dit is van groot praktisch belang omdat het raakt aan onze relatie met de Vader! De bijzondere Vader-kind relatie met het bijbehorende onvoorstelbaar grote voorrecht om altijd rechtstreeks toegang te hebben tot de Vader gaat niet verloren als we zondigen. De Vader blijft ons welgezind en we blijven als zijn geliefde kind altijd toegang houden tot zijn Vaderhart, hoe we het soms ook verknallen.
    Rechtvaardiging is dus eenmalig en definitief. In tegenstelling daarmee is heiliging een voortdurend proces. Een proces dat tijdens ons aardse leven nooit af is. Vallen en opstaan, groeien en continu bijschaven is de werkelijkheid van al Gods kinderen. Met helaas dus ook de mogelijkheid van langdurige stilstand in de groei, of zelfs achteruitgang als we slordig zijn in geestelijk opzicht.

    Dit aspect van een continu proces uit zich in een aantal uitspraken van Paulus die tot grote verwarring kunnen leiden, zeker als je de Griekse werkwoordsvorm tot zijn recht laat komen. Erickson (blz. 970) geeft twee voorbeelden.
    1 Korinthe 1:18: … we worden gered ….
    Kolossenzen 3:9, 10: De nieuwe mens die we hebben aangedaan wordt vernieuwd tot volle kennis naar het beeld van de Schepper.
    Het lijkt bijna alsof dit soort teksten onze geloofszekerheid in twijfel trekt. De Griekse werkwoordsvorm geeft namelijk een voortgaand proces aan, alsof onze redding en ‘de nieuwe mens’ dus nog geen voldongen feit zouden zijn. De verklaring hiervan is volgens Erickson simpel: het zijn uitingen van heiliging als continu proces dat nooit af is.

  4. God slijpt en polijst  de gelovige dus voortdurend. Daarin zien we dat heiliging alles te maken heeft met het grote doel dat God met ons voor heeft: Wie Hij van tevoren heeft uitgekozen, heeft Hij ook van tevoren bestemd om het evenbeeld te worden van zijn Zoon, die de eerstgeborene moest zijn van talloze broers en zussen, Romeinen 8:29.
    Erickson (blz. 970) wijst erop dat het Griekse woord voor evenbeeld (NBG: gelijkvormigheid) niet inhoudt dat het ene ding van buiten gezien een beetje gaat lijken op het andere, maar dat alle kwaliteiten en eigenschappen die het ene ding maken tot wat het is, ook tot stand worden gebracht in het andere. Dit is dus een zeer vergaande uitspraak van Paulus! Heiliging is dus eindeloos veel meer dan een beetje schaven en trainen om een stuk vriendelijker, aangenamer en ‘netter’ te worden…

Bovenstaande vierde punt laat zien dat God zijn oorspronkelijke hoge doel met de schepping van de mens nooit heeft bijgesteld. Hij heeft de mens gemaakt naar zijn beeld en rust niet totdat zijn beeld ook honderd procent uit de verf komt.  Op zich een prachtige, warme gedachte, maar tegelijk ook behoorlijk eng. Als God zo’n hoog doel met mij heeft en zijn uiterste best doet om dat hoge doel ook tijdens mijn aardse leven waar te maken, wat legt dat dan een enorme verantwoordelijkheid op mijn schouders! Zal ik onder zo’n hoog verwachtingspatroon niet vooral een bron van teleurstelling blijken te zijn?

Wat mogen we verwachten van het heiligingsproces?

God heeft dus een extreem hoog doel voor ogen wat ons heiligingsproces betreft: gelijkvormigheid aan Jezus. Erickson (blz. 971-974) gaat uitgebreid in op een vrij theoretisch lijkende vraag: leidt het heiligingsproces tijdens ons leven op aarde dan ook uiteindelijk naar een zondeloze staat?  Met andere woorden: bereikt de Heilige Geest ooit zijn hoge doel tijdens ons leven op aarde? Als je nooit met deze vraag geconfronteerd bent zal de vraagstelling je waarschijnlijk nogal verrassen. Het is sterk afhankelijk van je kerkelijke achtergrond en traditie. Volgens Erickson zijn er behoorlijk wat kerkelijke stromingen die leren dat het heiligingsproces wel degelijk een zondeloze staat kan opleveren. Ik had in Congo een predikant die er ook zo over dacht. Hij stelde het heiligingsproces graag voor als een trap waar je langzaam omhoogklimt. De bovenste trede was dan een toestand waarbij je zo dicht bij God leeft dat je niet meer zondigt.

Op het eerste gezicht lijkt ook Johannes deze ideaal situatie te veronderstellen:

Ieder die zondigt overtreedt Gods wet, want zondigen is Gods wet overtreden. 5 U weet dat Jezus verschenen is om de zonden weg te nemen; er is in Hem geen zonde. 6 Ieder die in Hem blijft, zondigt niet. Ieder die zondigt, heeft Hem nooit gezien en kent Hem niet.

1 Johannes 3:4-6

Maar Erickson wijst erop dat de Griekse werkwoordsvorm voor zondigen in vers 4 en 6, gebruikt wordt voor acties die continu doorgaan. Johannes beschrijft hier dus iemand die volop in zonde is blijven leven na zijn bekering. Zo’n bekering is geen bekering volgens Johannes. Johannes zegt hier dus niet dat occasionele zonde niet voorkomt bij gelovigen.

De kans is groot dat je, net als ik, realistisch genoeg bent om te beseffen dat die mooie rechtlijnige trap van mijn Congolese predikant, met dat prachtige einddoel, niet bestaat. Heiliging is in praktijk een kwestie van vallen en opstaan. Je zou het beter met een golfbeweging kunnen vergelijken. In het gunstigste geval gaan de topmomenten van die golfbeweging steeds verder omhoog.

Maar tegelijk is deze theoretisch lijkende vraag over het bereiken van zondeloosheid wel van groot praktisch belang. Het gevaar is namelijk heel reëel dat een gelovige zo berust in het besef dat hij of zij altijd behept zal blijven met zonde, dat de drive om heiliger te leven verloren gaat. We berusten dan gemakkelijk in de realiteit van ons verre van perfecte karakter en telkens als het fout gaat stellen we gelaten vast dat we nou eenmaal zo zijn en het ook niet echt kunnen helpen. In een volgend hoofdstuk wil ik stil staan bij onze emotionele beleving van die momenten waarop het nadrukkelijk fout ging.

Er lijkt hier sprake te zijn van een delicaat evenwicht: serieus meegaan in het hoge verwachtingspatroon van God, lijkt gemakkelijk te kunnen leiden tot diepe frustratie en teleurstelling in onszelf. Aan de andere kant kan berusting in de gebrokenheid van ons leven gemakkelijk leiden tot apathie en berusting waarbij het diepe verlangen om de Geest zijn werk te laten doen steeds verder verloren gaat.

De praktische eindconclusie van Erickson (blz. 974) is dat juist de heldere vaststelling dat ons heiligingsproces nooit tot zondeloosheid zal leiden zolang we op aarde leven, ons kan behoeden voor de valkuilen aan beide kanten van de balans:

  1. Het realisme van dit standpunt voorkomt ontmoediging en diepe frustratie.
  2. Maar het voorkomt ook al te veel tevredenheid en onachtzaamheid. Dit laatste effect zal alleen aanwezig zijn als we serieus blijven streven naar en bidden voor volkomen heiligheid, omdat de Vader daar zo naar verlangt.

Hoe omgaan met occasionele zonde?

Maar goed, als we realistisch vaststellen dat we hier op aarde nooit een zondeloze staat zullen bereiken, wat mogen we dan wel verwachten? Het afgelopen jaar had de leiding van mijn eigen gemeente gekozen voor heiliging als jaarthema. Veel preken gingen daar dus over. Ik beluisterde met interesse het idee dat we onszelf nooit zondaars mogen noemen omdat het N.T. ons altijd heiligen noemt en de term zondaars reserveert voor mensen die volledig los van God hun eigen ding doen. Verder leek het beeld te zijn dat elke gelovige uiteraard wel bij tijd en wijle zondigt, maar dat zonde eerder een uitzondering zou zijn als hij of zij al een tijdje het heiligingsproces door de Heilige Geest ondergaat. Kortom, als iemand een tijd serieus gelovig is, dan valt het met de zonde wel mee. Interessant genoeg is er tijdens het hele jaar met dit thema bij mijn weten geen enkele preek geweest over de vraag wat er moet gebeuren als het dan toch fout is gegaan. Het zou zo maar kunnen dat het grote gebrek aan belangstelling voor deze praktische vraag te maken heeft met enige theologische verwarring. Ik probeer dit toe te lichten.

Als we veel nadruk leggen op het taalgebruik in het N.T. dat gelovigen heiligen zijn en dus nadrukkelijk geen zondaars genoemd mogen worden, dan rijst de vraag: hoe erg is de situatie eigenlijk als zo’n heilige dan toch zondigt? Hij is eens en voor altijd gerechtvaardigd door het offer van Christus. De morele en geestelijke schuld door die nieuwe zonde is dus al afbetaald. Je bent een kind van de Vader en blijft dat. Je behoudt je vrije toegang tot de Vader. Met de bemoedigende woorden van Paulus:

Dus wie in Christus Jezus zijn, worden niet meer veroordeeld.

Romeinen 8:1

Enkel en alleen op deze positieve manier belicht, kan de gedachte gemakkelijk opkomen dat er ook niet zo veel schokkends aan de hand is in geval van die occasionele zonde. Natuurlijk, voor de netheid wel even uitpraten met de Heer, maar dan weer business as usual…

Ik weet het niet, maar misschien is bovenstaande gedachtegang de reden dat er zo weinig aandacht wordt besteed aan onderwijs over het belijden van zonde door een gelovige. In het volgende hoofdstuk doe ik een eerste aanzet om daar juist wel goed over na te denken.

Praktische vragen en suggesties

  1. Hoe zie jij het Bijbelse begrip ‘rechtvaardiging’? Is het een proces? Is het eenmalig? Wat is de betekenis ervan voor jou?

  2. Wordt er in jouw gemeente regelmatig aandacht besteed aan het onderwerp ‘heiliging’? Zo ja, welke speerpunten worden dan benadrukt?

  3. Wat betekent heel praktisch gezien het heiligingsproces voor jou?

  4. Het staat hopelijk voor je als een paal boven water dat de Heilige Geest de krachtbron in het heiligingsproces is. Tegelijkertijd heb je daar zelf ook een grote verantwoordelijkheid. Wat houdt dat in voor jou? Hoe vertaal je die verantwoordelijkheid in praktijk naar concrete inzet?

  5. De kans is groot dat je net als ik niet gelooft dat het heiligingsproces ooit tot zondeloosheid zal leiden tijdens ons leven op aarde. Heeft die overtuiging in praktijk invloed op je persoonlijke streven naar meer heiligheid? Zo ja, wat voor invloed is dat dan?

  6. Neem je ooit de moeite en de tijd voor zelfreflectie over de vraag hoe het nou gaat met het heiligingsproces in jouw leven?

  7. Als je heel concreet het afgelopen jaar overziet, hoe zou je de voortgang van het heiligingsproces in jouw leven in het algemeen willen omschrijven? Was er groei, stilstand, achteruitgang misschien?

  8. Heb je wel eens overwogen specifieke aandachtsgebieden te kiezen in je verlangen naar meer groei? Of laat je de dingen gewoon komen zoals ze komen?

  9. Bespreek je al deze aspecten van je heiligingsproces wel eens in gebed met God?

  10. Kent jouw gemeente een systeem of platform om ook samen met anderen te reflecteren over de voortgang van het individuele heiligingsproces? Of anders gezegd, samen nadenken over persoonlijke geestelijke groei? Je kunt dan denken aan buddy paren die elkaar hierop bevragen, of één of andere vorm van georganiseerd basispastoraat waarbij deze vraag met enige regelmaat aan de orde wordt gesteld. Of misschien een heel ander systeem? Uiteraard werkt zoiets alleen maar als er voldoende onderling vertrouwen en openheid is…

  11. Als jouw gemeente geen systeem of platform heeft zoals in de vorige vraag omschreven, lijkt je dat wel nuttig en wenselijk? Of zou je het eerder negatief beoordelen als inbreuk op je privacy? Wat dat laatste betreft, lijkt me volledig vrijwillige deelname aan zo’n platform een belangrijke voorwaarde. Zonder eigen motivatie zou het ook totaal geen zin hebben denk ik.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.