Taal van de liefde: aanbidding

In het vorige hoofdstuk noemde ik onder andere de volgende twee blokkades die in de weg kunnen staan van lofprijzing:

  1. We zijn het als mensen onder elkaar niet zo gewend om een ander uitgebreid ‘op te hemelen’. Daar voelen we ons al snel ongemakkelijk bij.

  2. Een belangrijk aspect van Bijbelse lofprijzing is het uitspreken van respect en ontzag. Dat lijkt gemakkelijk haaks te staan op intimiteit. En in onze cultuur benadrukken we terecht de gelijkwaardigheid van alle mensen. We hebben dus geen ervaring met het ‘verhogen’ van een ander boven onszelf.

Deze blokkades brengen ons op het terrein van aanbidding.

Aanbidding

Naast dankzegging en lofprijzing is er ook nog de Bijbelse term ‘aanbidding’. Wat is dat dan precies? We zagen net in Openbaring 4 al een schitterend voorbeeld: de oudsten ‘aanbidden hem die leeft tot in eeuwigheid’. Ze doen dat niet alleen met hun herhaalde lofprijzingswoorden, maar ook door zich lichamelijk te onderwerpen aan de Grote Koning op de troon voor hen. Ze doen daarbij hun eigen kronen af om ze voor Gods troon neer te leggen. En dat is volgens mij precies de kern van ‘aanbidding’: met woorden en of met non-verbale communicatie aangeven dat je je onderwerpt aan God. Erkennen dat je ondergeschikt aan Hem ben. Uitspreken dat Hij hoog verheven is boven jezelf.

Volgens mij zijn lofprijzing en aanbidding niet echt te onderscheiden van elkaar. Aanbidding is meer een belangrijk aspect van wat we aan het doen zijn tijdens lofprijzing: expliciet erkennen en uitspreken dat God zo ver boven ons staat.

De bovengenoemde obstakels die we kunnen ervaren om tot lofprijzing te komen hebben juist te maken met het aanbiddingsaspect van lofprijzing: als mensen onderling zijn we in onze cultuur niet gewend om de ander op een voetstuk te plaatsen, ver boven onszelf. We benadrukken juist de gelijkwaardigheid van alle mensen. En in menselijke liefdesrelaties, en andere situaties waar intimiteit bij komt kijken, hebben we dus ook geen enkele ervaring met het combineren van intimiteit met het verheffen van een ander boven onszelf.

Het komt er daarom op neer dat we in onze cultuur aanbidding meestal alleen kennen in de context van onze relatie met God. Alles waar ik het tot nog toe over had in dit boek, was gebaseerd op beelden die we kennen van onze menselijke relaties: adoptie en vader-zoon relaties, liefdesrelaties tussen man en vrouw. Onze vertrouwdheid met die menselijke relaties helpt ons enorm om onze relatie met God beter te begrijpen en aan te voelen, ook al kunnen we God niet zien.

Maar bij aanbidding hebben we met een heel nieuwe dimensie te maken: het doel van aanbidding is juist om God boven ons te verheffen. Uit te spreken dat Hij veel groter, machtiger, wijzer en heiliger is dan wij. En omdat we binnen onze menselijke relaties dat nooit zo doen, is het veel lastiger om er vertrouwd mee te raken. We kunnen het ronduit als onwennig ervaren omdat we zoiets nooit doen als mensen onderling.

Sterker nog, we stoten zo op een potentieel struikelblok van het geloof waar we denk ik veel te weinig bij stilstaan. De Bijbel geeft aan dat God de mens schiep tot eer van hemzelf. God eist die eer nadrukkelijk op en in het kader daarvan eist Hij ook onze liefde. ‘Heb de Heer lief met heel je hart’ is meer dan een diep verlangen van God. Het is en blijft ook simpelweg een gebod, een eis. En daar hebben we het probleem te pakken. Het is bij mensen onderling absurd als de ene mens liefde eist van een ander. Opgeëiste liefde is helemaal geen liefde op menselijk vlak.

En iets doen voor je eigen eer is bij mensen onderling een kwalijke, negatieve zaak. Het komt voort uit arrogantie en leidt tot allerlei akelig gedrag.

Ik denk dat Gods eis voor liefde en eerbetoon een belangrijke reden is voor velen om niets met het geloof te maken te willen hebben. Een God die zich gedraagt op een manier die we als mensen onderling zeer kwalijk of zelfs absurd vinden, wordt afgeschreven.

Het antwoord hierop is verrassend simpel, maar tegelijk erg moeilijk om emotioneel te verwerken: God is geen mens. Hij staat per definitie oneindig ver boven de mens omdat Hij de Schepper is.  De aanbidding van de vierentwintig oudsten brengt het zo mooi en zo krachtig onder woorden:

‘U komen alle lof, eer en macht toe, Heer, onze God, want u hebt alles geschapen: uw wil is de oorsprong van alles wat er is.’

Openbaring 4:11

God heeft alles geschapen en DAAROM komt Hem alle lof en eer en liefde toe. De Bijbel zelf staat vol taalgebruik waarbij God vergeleken wordt met een mens op allerlei terrein, tot en met het lichamelijke toe. Er is sprake van Gods ogen, mond, arm, voeten enz. We noemen dat soort beeldspraak antropomorfismen: spreken over God alsof Hij een mens is. Heel Bijbels dus, maar we mogen nooit uit het oog verliezen dat dit soort taal bedoeld is om op een begrijpelijke manier over God te spreken. God heeft in werkelijkheid geen ogen, oren, mond of arm. Hij is geen mens. Hij heeft de mens als zijn beelddragers gemaakt, maar daarmee zijn wij geen goden. Hij staat oneindig ver boven ons en heeft dus het recht om eisen te stellen aan zijn schepselen die voor die schepselen onderling ongepast of zelfs absurd zouden zijn. God is de Eeuwige en wij zijn maar piepkleine mensjes, in principe niet eens te vergelijken met een microbe ten opzichte van een reusachtige blauw vinvis…

Het meest wonderlijke van God is nu dat hij ondanks dit reusachtige verschil met ons, toch zo dichtbij wil staan. Het feit dat God intimiteit met ons zoekt is misschien wel het grootste wonder van al. Het feit dat Hij zich zover neerbuigt, en liefde in twee richtingen wil laten stromen, dat is pas echt absurd. En toch is het zo. En vanwege dit wonderbaarlijke verlangen van God is het dus heel goed mogelijk om intimiteit en aanbidding te combineren. Belijden met woorden en met ons hart dat God ver boven mij staat en tegelijkertijd volstromen met zijn liefde en zijn nabijheid zo diep ervaren, ja, het kan en het mag en het is weggelegd voor iedereen die zich ervoor openstelt. En tegelijkertijd is het een ongekend wonder dat dat zo is.

Deze basisemotie van wat aanbidding eigenlijk is, zien we spontaan opwellen bij de discipelen nadat Jezus in de storm over het meer loopt en Petrus dat ook mag doen totdat het misgaat. Nadat ze dan beiden in de boot gestapt zijn lezen we:

Die in het schip waren, vielen voor hem neder en zeiden: Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon!

Mattheus 14:33, NBG

Door de gebeurtenissen realiseerden ze zich dat Jezus ver boven hen stond, hoewel Hij als mens bij hen in die boot zat. ‘Ze vielen voor hem neer’ betekent dat ze Hem aanbaden zoals ze als vrome Joden nooit met een mens zouden doen. Hoe bizar dat voor hen ook geweest moet zijn omdat ze Jezus als mens meemaakten, ze konden gewoon niet anders door wat ze Jezus zagen doen.

En dat is precies wat er in ons moet gebeuren als we tot aanbidding willen komen: we moeten ons diep realiseren dat de Vader en de Zoon zo oneindig ver boven ons staan. En dat het daarom vanzelfsprekend en passend is om hem alle eer te geven met onze woorden. In dit opzicht moeten we onze relatie met God dus juist niet vergelijken met onze menselijke relaties. En al aanbiddend is daar dan het besef dat ondanks deze hoge verhevenheid, de Vader en de Zoon zo dicht bij ons willen zijn door in ons hart te wonen. En met het besef van dat grote wonder kan de aanbidding alleen maar nog dieper en groter en overweldigender worden. Eerbetoon, aanbidding, is dus wel degelijk te combineren met intimiteit en persoonlijke beleving van liefde, hoe vreemd die combinatie ook is. Het is een wonder, en wonderen zijn per definitie vreemd…

Praktische vragen en suggesties

  1. Heb jij ooit moeite gehad met Gods nadrukkelijke eis om geëerd en geliefd te worden?
    En zo ja, was dat vóór, of nadat je tot geloof kwam?

  2. Herken je bij jezelf de blokkades die ik noem voor lofprijzing en aanbidding? Mogelijk nu, of misschien in het verleden?

  3. Wat betekent aanbidding voor jou persoonlijk? Kon je je vinden in mijn definitie ervan?

  4. Zie jij aanbidding als een belangrijk aspect van lofprijzing of eerder als iets anders dan lofprijzing?

  5. Hoe belangrijk is aanbidding voor jou?
    Hoe intensief ben je ermee bezig in je persoonlijke gebed?
    Heb je aanbidding wel eens ‘ongemakkelijk’ gevonden?

  6. Mijn ervaring met gezamenlijke gebedstijden is dat de aandacht in praktijk hoofdzakelijk ligt op allerlei gebedsonderwerpen, ook als er nadrukkelijk in de inleiding gezegd wordt dat we tijd moeten nemen voor lofprijzing en aanbidding.
    Hoe verklaar je die veel grotere nadruk op ‘bidden voor’ dan op aanbidden?
    Is dat anders in je persoonlijke gebedsleven?

  7. Ben je zaken in dit boek tegengekomen die je kunnen helpen om meer aandacht te besteden aan aanbidding? Zo ja, wat precies?

  8. Ervaar jij aanbidding als iets wat je intimiteit met God versterkt en verdiept?

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.