Verzoening pas na het belijden van zonden

Ernstige oproep om onze zonden te belijden

Ik citeerde in het vorige hoofdstuk 1 Johannes 3, waar we lezen dat een echte gelovige nooit onbezonnen doorgaat met zijn zondige gewoonten. Uit dezelfde brief blijkt dat Johannes wel degelijk oog heeft voor zonde gepleegd door een gelovige:

Maar gaan we onze weg in het licht, zoals Hijzelf in het licht is, dan zijn we met elkaar verbonden en reinigt het bloed van Jezus, zijn Zoon, ons van alle zonde. 8 Als we zeggen dat we de zonde niet kennen, misleiden we onszelf en is de waarheid niet in ons. 9 Belijden we onze zonden, dan zal Hij, die trouw en rechtvaardig is, ons onze zonden vergeven en ons reinigen van al het onrecht dat wij bedrijven. 10 Als we zeggen dat we nooit gezondigd hebben, maken we Hem tot een leugenaar en is zijn woord niet in ons.

1 Johannes 1:7-10

Als je niet doorleest zou je bij lezing van vers 7 kunnen denken dat Johannes het heeft over het eenmalig, bij onze bekering, reinigen van onze zonden door het bloed van Jezus. In vers 8 roept hij ons op om zeer serieus om te gaan met de realiteit van zonde in ons leven, ook na onze bekering. En dan zien we in vers 9 de belangrijke oproep om elke vorm van zonde te belijden. Pas door en na het belijden is er sprake van vergeving en reiniging. Johannes vermaant ons dus serieus om nooit onze zonden te verdoezelen of te veronachtzamen of te hopen dat het met de tijd wel over zal waaien…

Verzoening is de sleutel

Is deze duidelijke oproep van Johannes dan niet tegenstrijdig met onze eerdere vaststelling dat we bij onze bekering eens en voor altijd gerechtvaardigd zijn, en dat de schuld voor al onze zonden in verleden, heden en toekomst is afbetaald? Ik denk dat de oplossing van dit raadsel zit in het begrip verzoening. Zonde veroorzaakt namelijk verschillende dingen: de zondaar laadt allereerst ongerechtigheid en daarmee schuld op zich. Het gevolg daarvan is dat de relatie met God ernstig wordt verstoord. De enige mogelijke oplossing voor ongerechtigheid en schuld is het dragen van de straf voor die schuld. En dat is precies wat Christus in onze plaats heeft gedaan, inderdaad eens en voor altijd. Maar daarmee is de verstoorde relatie nog niet gerepareerd bij nieuwe zonden. Er is telkens opnieuw verzoening nodig. Verzoening is wat we in een menselijke relatie omschrijven als: ‘het uitpraten en weer goedmaken’. Het gaat daarbij niet om het betalen van een schuld, maar om het ronduit toegeven van de fout, het uitspreken van je oprechte spijt daarover en het vragen of de ander bereid is om te vergeven en de relatie weer op te pakken zoals het eerder was. Verzoening gaat over herstel van de relatie.

Al deze aspecten die we kennen uit het weer goedmaken van intermenselijke relaties zitten verpakt in het Bijbelse begrip belijden van zonden. Zonder het oprecht belijden van zonden ‘blijft het in de lucht hangen’. Ja, de schuld was al betaald, maar desondanks blijft de relatie vertroebeld en ‘ongemakkelijk’ zolang we het niet echt uitspreken met de Vader. Je behoudt weliswaar je vrije toegang tot de Vader want je blijft zijn geliefde kind, maar je voelt je simpelweg niet echt op je gemak bij Hem. Dat is precies de reden dat ik in dit boek over intimiteit met God een belangrijke plaats wil inruimen voor het onderwerp van heiligheid en het belijden van zonden. De relatie met de Vader blijft bestaan bij zonde, maar zonder het serieus belijden van je zonden is de intimiteit kapot. Zo simpel is het gewoon. Je voelt het, je weet het, maar soms hoop je dat het gewoon weer over zal gaan als je maar lang genoeg wacht, net zoals een echtpaar dat flink ruzie heeft gemaakt, maar nooit heeft geleerd om het daarna ook uit te praten. Beiden hopen dan dat de lucht vanzelf wel weer opklaart na een tijd. Als de emoties bedaard zijn zal dat ook wel enigszins gebeuren, maar zo’n onvolwassen aanpak komt de kwaliteit van een relatie nooit ten goede. Er zal altijd een stukje boosheid, onbegrip en ergernis achterblijven. Dat stapelt zich met de jaren op, met regelmatig op termijn de bekende catastrofale gevolgen. De blijdschap, het sprankelende van de eens zo mooie liefdesrelatie gaat steeds meer verloren. De glans verdwijnt… De intimiteit raakt steeds meer zoek.

Tot zover de vergelijking met verzoening op het intermenselijke vlak. In onze relatie met een volkomen heilig God speelt nog een extra aspect.  Elke nieuwe zonde betekent een inbreuk op zijn volmaakte heiligheid. Het heeft ons onrein, ‘vies’, gemaakt. In de terminologie van de Bijbel zien we daarom het uiterst belangrijke Oud Testamentische concept van reiniging om de hoek komen bij Johannes:

Belijden we onze zonden, dan zal Hij … ons reinigen van al het onrecht dat wij bedrijven.

1 Johannes 1:9

Conclusie: pas na het belijden van onze recente zonde kan Christus ons reinigen van die nieuwe onreinheid. Zonder die reiniging voelt het alsof je de koningszaal betreedt met kleren vol modder en drek. Dat schuurt en wringt waardoor je die koningszaal maar liever niet betreedt. Of met andere woorden: de intimiteit en de bijbehorende vreugde zijn verdwenen.

Deze zeer belangrijke aanmaning van Johannes om keer op keer ernst te maken met het belijden van onze zonden is dus op geen enkele manier in tegenspraak met de eenmalige rechtvaardiging en het definitief afbetalen van onze zondenschuld. De verschillende aspecten van verzoening die hier door Johannes worden genoemd komen enkel tot stand door het telkens opnieuw belijden van de zonde. Het verrassende is dat we dit zeer belangrijke praktische onderwijs eigenlijk nergens anders zo expliciet tegenkomen in het N.T.! Je zou je bijna afvragen of Jezus en de Geest steken hebben laten vallen bij het op laten stellen van het Woord!

Continuïteit tussen O.T. en N.T.

Ik hoop dat ik je niet hoef te overtuigen dat er geen hiaten zitten in Gods Woord. We kijken gewoon op de verkeerde plaats! Het probleem is dat we zo gewend zijn om een grote knip te maken tussen O.T. en N.T. We hebben zo gemakkelijk het idee dat alle echt belangrijke en actuele dingen in het N.T. staan. Het O.T. heet niet voor niets ‘oud’, versleten, niet meer zo relevant, behalve misschien voor wat historische achtergrondinformatie en de nodige illustraties in de vorm van biografieën is dan de gedachte.

Uiteraard is het zo dat er veel is veranderd door het offer van Jezus en de uitstorting van de Geest. Maar niets uit het O.T. is daardoor verouderd of irrelevant geraakt! De enorm belangrijke praktische lessen verpakt in de wetgeving zijn net zo relevant voor ons als voor de tijdgenoten van Mozes. De extreme nadruk op reinheid in de Wet is vandaag net zo belangrijk als drieduizend jaar geleden. God heeft namelijk niets van zijn heiligheid en reinheid verloren de afgelopen millennia… Zonde van mijn kant heeft nog net zo’n grote impact op mijn relatie met God als in de tijd van Mozes. Misschien zelfs nog wel meer omdat ik door de Geest gevoeliger zou moeten zijn voor de heiligheid van God!

Ik durf al met al te stellen dat er meer continuïteit is tussen het O.T. en N.T. dan discontinuïteit. Wie denkt dat de Bijbel weinig aandacht besteedt aan het belijden van zonden heeft zich nog nooit verdiept in de offerwetten in Leviticus… Toegegeven, het is zeer taaie materie. De beste vertaling van de benamingen van de verschillende soorten offers staat ter discussie. Leviticus geeft weinig uitleg over het uiteindelijke doel van elk soort offer. Maar ondanks die moeilijkheden staat een ding als een paal boven water: God vindt het belangrijk dat we uiterst zorgvuldig omgaan met het belijden van onze zonden.

We worden weliswaar niet meer geconfronteerd met de kostprijs van offerdieren zonder gebreken omdat Christus zichzelf heeft geofferd in onze plaats. Maar juist die onschatbaar hoge prijs van Jezus’ ultieme offer zou met zich mee moeten brengen dat we daar in praktijk veel tijd en aandacht aan besteden. Elke keer opnieuw als we aanspraak maken op zijn kostbare bloed, zouden we dat vanzelfsprekend met een enorme mate van eerbied, dankbaarheid en diepe verwondering moeten doen. Het zou vanzelfsprekend moeten zijn dat we daar dan ook ruim de tijd voor nemen omdat het zo extreem bijzonder is dat Hij als almachtige Schepper en God dat offer in onze plaats heeft gebracht.

We zouden zeer regelmatig ons best moeten doen om ons mentaal voor te stellen hoe het belijden van zonden in het O.T. eraan toe ging. Dat zou niet gereserveerd moeten blijven tot het historische onderwijs in de zondagsschool!

Stel je voor dat je je bewust was van zonde. Je moest dan een geschikt offerdier zonder gebreken kopen of selecteren. Je moest de moeite nemen om samen met je gezin helemaal naar de tabernakel of later de tempel te reizen en in de rij te wachten totdat de priester tijd voor je had. Dat betekent logischerwijs ook dat je je vrouw en kinderen uit moest leggen wat er fout was gegaan…

Vervolgens moest je je hand op de kop van dat compleet onschuldige dier leggen als teken dat je jouw onreinheid en schuld op hem legde. En waar je bijstond werd dat onschuldige dier dan geslacht, op de juiste manier in stukken gesneden en helemaal verbrand op het altaar. Dat alles was het brandoffer.

Vervolgens wilde je graag je herwonnen gemeenschap met Jahweh beleven door nog een vredeoffer te brengen uit dankbaarheid en teken van erkenning en gemeenschap. Weer moest je je hand op zijn kop leggen om aan te geven dat je dit eigenlijk helemaal niet verdiende. Bij dit offer werd enkel het vet verbrand. Een deel van het vlees was voor de priester(s). Een ander deel at je samen met je gezin en de priester op in de tempel. Dit als teken dat de gemeenschap, zeg maar de open relatie met Jahweh, weer was hersteld. De intimiteit was weer terug!

Wie nu zegt blij te zijn dat wij dit allemaal niet meer hoeven te doen vandaag omdat Jezus dat in onze plaats heeft gedaan, zou daar toch nog eens goed over na moeten denken. We hoeven inderdaad niet meer zelf in een offer te voorzien en we hoeven niet te reizen en op een beschikbare priester te wachten. Maar als we ons realiseren wat daarvoor in de plaats is gekomen, ik moet schrijven: WIE daarvoor in de plaats is gekomen, zou de emotionele impact op ons vele malen groter moeten zijn. We zouden daardoor logischerwijs veel meer tijd en aandacht moeten besteden aan het aanspreken van dat Offer. Of anders gesteld: we zouden logischerwijs veel meer tijd, aandacht en emotionele energie moeten besteden aan het serieus belijden van onze zonden dan in de tijd van het O.T. Wij wisten hoe onvoorstelbaar groot en kostbaar het Offer is geweest. En toch hebben we die wetenschap in de wind geslagen en weer ons eigen ding gedaan. Hoe krijg je dat ooit uitgelegd aan Jezus die daar zo afschuwelijk voor heeft geleden? Hoe moet je Hem ooit weer onder ogen komen? Ja, het moet, en het kan en het mag. Hij wacht op je met wijd open armen. Maar het kan zo moeilijk zijn. Juist omdat het belijden van zonden voor ons niet zozeer een rituele kwestie is, maar eerder een relationele en daardoor emotionele kwestie, zou het onze volle aandacht moeten verdienen met de bijbehorende tijd en emotionele energie. Het belijden van onze zonden zou diep doorleefd moeten zijn…

Hoe zit het met je gevoel?

Ja, verstandelijk bezien zouden alle veronderstellingen in de vorige alinea voor de hand liggen. Maar in mijn eigen beleving kreeg ik hier steeds meer moeite mee naarmate ik er meer over ging nadenken in de loop van mijn leven. Ik had, bij het belijden van mijn zonden, vaak last van dezelfde emotionele blokkade die ik in het begin van dit boek beschreef, daar waar ik het had over het emotioneel beleven van mijn liefde voor God. Of beter gezegd: het gebrek aan die emotionele beleving.

En hoe meer ik erover na ging denken, des te meer ik me ging realiseren dat het echte probleem vaak te maken had met mijn inschatting van de ernst van de zonde. Ik wist bijvoorbeeld dat God bepaalde dingen niet toestond, maar ik kon niet begrijpen waarom Hij dat verbood. Maar ook zonder die worsteling merkte ik dat mijn eigen zonden me vaak emotioneel niet zo raakten. Het belijden van zonden gebeurde daarmee vaak eerder uit plichtsbesef dan uit een diep doorleefde erkenning van onreinheid en ongerechtigheid.

Ik ben toch al in het algemeen geen held in het spontaan toegeven van mijn fouten. Vraag maar aan mijn vrouw… Ook in de relatie met God liet ik het vaak maar een beetje voor wat het was, vaak tot aan het volgende Avondmaal. Uit plichtsbesef sprak ik het dan ter voorbereiding van het Avondmaal wel uit, maar veel emotie kwam daar zelden bij kijken.

Ik hoop van harte dat je deze ontboezemingen met grote verwondering hebt gelezen omdat het in jouw leven heel anders gaat. Als dat zo is dan kun je misschien de volgende hoofdstukken beter overslaan. Maar mocht je een en ander herkennen in je eigen geloofspraktijk, dan hoop ik dat je door wilt lezen. Ik moet je wel waarschuwen dat ik het je niet gemakkelijk ga maken. Ik ben me steeds meer gaan realiseren dat het hele idee van zo nu en dan een occasionele zonde totaal niet klopt. Het probleem is veel groter dan dat. Ik ben ervan doordrongen geraakt dat het venijn van de zonde veel breder en dieper aanwezig is dan we ons vaak realiseren.

Maar voordat we daarover gaan nadenken wil ik in het volgende hoofdstuk eerst stilstaan bij het allerbekendste Bijbelse voorbeeld van het belijden van ernstige zonde. En ja, dat voorbeeld vinden we in het O.T. Maar neem van mij aan, dat desondanks, de boodschap van dat bekende verhaal vandaag nog net zo relevant is als drieduizend jaar geleden. Als we er maar naar wilden luisteren en als we maar ruim de tijd zouden nemen om onszelf die spiegel voor te houden.

Praktische vragen en suggesties

  1. Welke plaats heeft het belijden van persoonlijke zonden in de praktijk van jouw geloofsleven?

  2. Belijd je in het algemeen frequent zonden of eerder sporadisch?

  3. Belijd je nieuwe zonden zodra dat nodig is, of wacht je tot een speciale gelegenheid zoals bijvoorbeeld het Avondmaal?

  4. Merk je invloed van onbeleden zonden op je gebedsleven? Zo ja, wat voor invloed?

  5. Hebben onbeleden zonden en het belijden van zonden in praktijk een emotionele impact op je? Zo ja, welke?

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.